Sopraan Miranda van Kralingen ontroert met ingetogen Hindemith

Concert: Miranda van Kralingen, leden Schönberg Ensemble. Werken van Paul Hindemith. Gehoord 24/4 Concertgebouw Amsterdam. Herhalingen: 25/4 Muziekcentrum Vredenburg Utrecht; 29/4 De Doelen Rotterdam.

De carrière van Paul Hindemith valt kortweg samen te vatten als: van dadaïst tot Yale-professor. “Vergeet alles wat je geleerd hebt”, noteerde hij baldadig voordat hij aan het eind van zijn leven het vooral zocht in metafysische diepgang. De driedelige Hindemith-cyclus door het Schönberg Ensemble legde terecht het accent op de 'Duitse' Offenbach uit de twintiger jaren, alleen de sonates voor koperblazers en piano representeerden een latere fase.

Busoni merkte over Hindemith op: “Hij componeert met een vanzelfsprekendheid zoals een hond blaft en een haan kraait”, maar in de eerste twee delen van de sonate uit 1955 voor bastuba klinkt meer een fanatiek jodelen in het laagste register. Je wordt er af en toe niet goed van, en vooral daaraan heeft Hindemith bijnamen te danken als Hin-da-mit en Hinder-me-niet. Maar in de variatievormen, zoals in het derde deel, is er meer afwisseling, zodat tubaïst Joop van Dijk gisteravond eindelijk kon tonen wat hij werkelijk in zijn mars heeft.

Hindemith kende zijn eigen instrument, de altviool, veel beter dan de tuba. Susanne van Els vertolkte nobel en stijlvol, zij het mij teveel ingehouden, de Sonate in F op. 11 nr. 4, met liefst twee variatiedelen. Daaruit blijkt dat de zo Duitse Hindemith (hij componeerde de ene mars na de andere) ook snoepte uit de suikerpot van het impressionisme. Bovendien is het een misverstand dat hij afrekende met de exaltatie van de laat-romantiek. Hindemith zette zich af tegen het expressionisme van de Schönberg School, maar zijn muziek staat wel degelijk bol van pathos.

In de liederencyclus Des Todes Tod op. 23 nr. 1 uit 1922 naar gedichten van Eduard Reinacher, geïnspireerd door houtsneden van Holbein, sloeg Susanne van Els opeens een veel minder plechtige toon aan: gedreven leidde zij het begeleidende kwartet van twee alten en twee celli in vele uitdrukkingen aan kleur en vibrato. Dat was geen wonder want de sopraan Miranda van Kralingen opteerde voor een wel heel dramatische zienswijze. Zoals Hindemith in de maar matige gedichten een diepgang suggereert, zo voegde de sopraan op haar beurt weer meer toe dan Hindemith componeerde: het was mij te opera-achtig. Maar daar waar zij zich inhield (“Die Welt soll stille stehen, den Gott is entschlafen: man hört den leisen Atem deutlich gehen”) viel alles op zijn plaats: Hindemiths ingetogen schrijftrant overstijgt hier de handige speelman die hij toch voornamelijk was en Van Kralingen voegt niets toe, maar ontroerde wel degelijk.