Raad voor de journalistiek

De strekking van het artikel van Mr. B.J. Asscher 'Onraad voor de journalistiek' (NRC Handelsblad, 15 april) onderschrijven wij van ganser harte: beledigingen et cetera in de geschreven pers zouden door zelfregulatie moeten worden gecorrigeerd en wel door een effectief functionerende Raad voor de Journalistiek; indien niet, dan dreigt persbreidel met alle gevolgen vandien. Gesuggereerd wordt de Raad voor de Journalistiek om te bouwen tot een krachtig werkend instituut dat uitwassen afstopt, mede ter garantie van de onafhankelijke pers.

Echter zijn wij van mening dat iets dergelijks ook zou moeten gelden voor audio- en video-uitzendingen. Gedoeld wordt o.m. op presentaties destijds van F. de Poel en C. Sorgdrager rondom de zeer bekwame en integere heer Brinkman. Weliswaar was daarbij geen sprake van scheldpartijen respectievelijk beledigingen die vatbaar zijn voor een strafklacht of een vordering voor de burgerlijke rechter maar er was wel sprake van het scheppen van een uiterst 'giftig sfeertje' dat 'dodelijk' is voor iedere politicus, hoe capabel ook. Er waren daarbij natuurlijk meer personen en redacties betrokken dan alleen De Poel en Sorgdrager, maar de Poel en Sorgdrager zijn voor mij - en voor velen met mij - representanten van deze 'journalistiek': zij zijn als het ware de 'bovengrondse vormen' van een mycelium dat onze maatschappij dreigt te doorwoekeren. Feit is dat door niet gekozen, niet gecontroleerde, door niets gelegitimeerde lieden met een microfoon in de hand, autonoom grote maatschappelijke invloed is uitgeoefend. Wij denken dat een dergelijke situatie een reële bedreiging vormt voor persvrijheid en vrijheid van meningsuiting in een land.