Prijsexplosie witte maïs bedreigt de voedselvoorziening in Afrika

In Afrika is een groot tekort aan witte maïs, het volksvoedsel bij uitstek. Slechte oogsten als gevolg van extreme droogte hebben geleid tot enorme prijsstijgingen - en volgens sommigen welbewuste prijsopdrijving. Drie grote Westerse handelsfirma's hebben bijna alle voorraden opgekocht en beheersen nu de markt. Hulporganisaties hebben vaak onvoldoende geld om de hogere prijzen te betalen. “Iedereen weet dat de hongersnood in de vluchtelingenkampen vlak om de hoek loert.”

De voedselvoorziening van miljoenen Afrikaanse vluchtelingen staat op de tocht. Niet alleen de hardnekkigheid van het vluchtelingenprobleem, de tanende interesse van Westerse donoren en de extreme droogte in grote delen van Afrika spelen daarbij een rol. Ook de prijsexplosie - volgens sommigen bewuste prijsopdrijving - van het Afrikaanse volksvoedsel nummer één, de witte maïs, is van grote invloed. Schommelden die maïsprijzen begin dit jaar nog tussen de 90 en 100 dollar per ton, nu zitten ze vaak al ver boven de 200 dollar. Met alle naargeestige gevolgen van dien voor de bestedingsmogelijkheden van hulporganisaties. En voor de voedselvoorziening van miljoenen Afrikaanse vluchtelingen.

“Op aandringen van het Westen hebben organisaties als de Wereld Bank en het Internationale Monetaire Fonds de Afrikaanse staten drastische liberaliseringsprogramma's opgedrongen”, stelt Peter Bolt, voormalig ontwikkelingswerker in Afrika en nu directeur van handelsfirma Chemimex B.V. ieuronn Oud-Beijerland, die voedsel aan hulporganisaties levert ten behoeve van de Afrikaanse vluchtelingenkampen. “Daardoor zijn vele, soms ook zeer bruikbare staatsbedrijven geliquideerd die verantwoordelijk waren voor het opslaan en gedoseerd verkopen van lokale voedselvoorraden en daarmee voor het dempen van al te grote prijsschommelingen.”

Bolt vervolgt: “Door het plotselinge en onder Westerse druk wegvallen van deze officiële grain boards is op de Afrikaanse voedselmarkt een vacuüm ontstaan waar een paar machtige particuliere Westerse players in zijn gesprongen. Daardoor is de concurrentie bijna uitgeschakeld en kunnen deze 'players' de markt beheersen en sturen.” Deze hoofdrolspelers op de Afrikaanse voedselmarkt zijn, volgens Chemimex-directeur Peter Bolt, op dit moment Glencore (met hoofdzetel in het Zwitserse Zug en een belangrijke handelsvestiging in Rotterdam), Conagra (VS) en de firma André (Lausanne).

“De droogte in Zuidelijk en Oost-Afrika, plus de ellende en oorlog in Rwanda, Burundi, Angola en Mozambique hebben geleid tot een enorme behoefte aan voedselhulp”, aldus Bolt die de regio vrijwel maandelijks aandoet. “Die drie grote Westerse handelsfirma's zagen dat aankomen en hebben overal in Afrika direct na de oogsten bij de boeren voorraden witte maïs opgekocht. Door de zeer beperkte oogsten is het hen mogelijk geweest bijna alle aanwezige voorraden in handen te krijgen en op die manier de markt te beheersen.”

De laatste maanden kwam daar de uitzonderlijke droogte in Zuid-Afrika en Zimbabwe nog bij, vertelt Peter Bolt. Deze landen waren tot voor kort witte-maïsexporteurs maar zijn nu ook gedwongen om te importeren. Naburige landen als Lesotho, Swaziland en Botswana hebben al een emergency afgekondigd en Westerse donoren om hulp gevraagd. Malawi en Zambia zitten nu vrijwel zonder maïs en ook in Tanzania zijn nauwelijks of geen reserves meer. Kenia heeft zojuist een exportverbod afgekondigd, evenals trouwens Zuid-Afrika dat vorig jaar nog enkele miljoenen tonnen maïs exporteerde.

Vervolgens ventileert Peter Bolt een scherpe beschuldiging: “De drie genoemde Westerse handelsfirma's brengen hun voorraden mondjesmaat op de markt, in kleine partijen en hebben zo de witte-maïsprijzen de laatste maanden tot grote hoogte kunnen opjagen. Ongehinderd door de vroegere grain boards van de Afrikaanse overheden. Ook nu nog blijven zij op hun meeste voorraden zitten in afwachting van nòg hogere prijzen en verdere woekerwinsten. De hulporganisaties hebben vaak onvoldoende fondsen om de hogere prijzen te betalen en de benodigde hoeveelheden te kopen. Tegelijkertijd weet iedereen dat de hongersnood in de kampen vlak om de hoek loert.”

Maar waarom dan geen maïs of desnoods andere graansoorten van elders uit de wereld naar Afrika getransporteerd? “Buiten Afrika wordt voornamelijk gele maïs verbouwd”, zegt Peter Bolt, “maar die wordt in Afrika traditioneel gezien als dierenvoeder, ongeschikt voor menselijke consumptie en zelfs als gevaarlijk voor de menselijke gezondheid. Kortom, de elders dominante gele maïs past niet in de Afrikaanse cultuur.” En wat die andere graansoorten, zoals tarwe of gerst betreft, die zijn volgens Bolt duur en worden doorgaans verhandeld via dezelfde grote handelshuizen.

“De recente prijsexplosies van de witte maïs zijn in Afrika inderdaad zonder precedent”, beaamt Ad Oomen, in de jaren tachtig coördinator voedselhulp van het ministerie van ontwikkelingssamenwerking en nu verbonden aan het Maastrichtse European Center for Development Policy Management. “In de jaren tachtig”, zo zegt hij, “functioneerden in veel Afrikaanse landen nog officiële grain boards die voorraden opbouwden om marktbewegingen te temperen en die toen in alle redelijkheid maïsprijzen vaststelden.” Toen Afrika deze instellingen de afgelopen jaren veelal onder Westerse druk liquideerde, zo vervolgt Oomen, had men op z'n minst kunnen denken aan mechanismen om de overgang naar de vrije voedselmarkt minder abrupt te laten verlopen. Wat niet gebeurde. “Nu rijzen de prijzen al wekenlang de pan uit. En hulporganisaties merken dat heel goed in hun budgetten.”

Oomen: “De Nederlandse regering zegt net als de Wereld Bank: hef die staatsbedrijven in ontwikkelingslanden maar op, ze blokkeren de vrije prijsvorming. Ik was daar nooit voorstander van. Voedselzekerheid voor alle mensen krijg je nooit met een absoluut vrije markt. Nu zitten veel Afrikaanse landen met een particulier en zeer winstbelust oligopolie in plaats van met een redelijk prijzend staatsmonopolie. De maïsprijzen zouden in de oude situatie ook omhoog zijn gegaan maar niet zo extreem als nu.”

Toch wil Oomen niet zonder meer Peter Bolts beschuldiging dat Glencore, Conagra en André zich schuldig maken aan 'criminele prijsopdrijving' overnemen. “Zoiets is meestal moeilijk hard te maken”, zegt hij. “Maar er is in ieder geval voldoende reden om de huidige marktverstoring eens goed onder de loep te nemen.”

Bij Glencore (voorheen Richco) in Rotterdam is men geneigd de exorbitante prijsstijgingen van witte maïs uitsluitend toe te schrijven aan de abominabele oogsten van de laatste tijd. “Neem Zuid-Afrika”, zegt een manager van het handelshuis die anoniem wil blijven. “Daar oogsten ze normaal twaalf miljoen ton witte maïs en de laatste keer maar vijf miljoen ton. Ook China importeert sinds kort witte maïs. Daarom moeten wij dat spul nu helemaal uit Amerika halen en dat betekent al gauw een prijsverhoging van 50 tot 60 procent, want overzees transport is duur.”

Suggesties over marktmanipulatie in Afrika wijst hij met stemverheffing en verontwaardiging van de hand. “Ik heb nog nooit met Conagra of André over maïsprijzen in Afrika gesproken. Wel is het nu eenmaal zo dat wij daar de grootste marktpartij zijn. Daardoor en ook door onze kennis en ervaring hebben wij waarschijnlijk een voorsprong op andere marktdeelnemers.” De zegsman van Glencore knoopt daar aan vast: “Ik ben een handelshuis en ik ben geen FAO van de Verenigde Naties. En ik snap best dat die mensen uit het liefdadigheidscircuit daar moeite mee hebben. Maar dat is hun probleem.”

Toch blijkt een bedrijf als Chemimex gaarne bereid de aantijging over Glencore's Afrikaanse marktmanipulatie nader toe te lichten. “In januari j.l. sloten wij een contract met de Europese Unie in Brussel om in februari 5.000 ton witte maïs te leveren ten behoeve van Afrikaanse vluchtelingen”, legt exportmanager Jack Keulemans van Chemimex in Oud-Beijerland uit. “De marktprijs had toen al het hoge niveau van 95 dollar per ton bereikt. Onze mensen gingen toen vanuit (de Oegandese hoofdstad) Kampala het land op om die maïs op te kopen. Dat ging te langzaam. Toen wisten wij dat er in de silo's van Glencore in Kampala nog volop maïsvoorraden lagen. Dus hebben wij ons toen noodgedwongen bij die firma ingedekt voor 3100 ton tegen een prijs van 140 dollar per ton. Met die exorbitante prijs doken wij in de rode cijfers maar we konden geen kant op. Het was dus een kwestie van slikken en doen.”

Keulemans: “Die 3.100 ton zou vanaf februari door Glencore aan ons geleverd worden. Wij hadden een getekend contract. Half maart stelden wij en een onafhankelijke inspecteur echter vast dat die partij niet aan de kwaliteitseisen voldeed. Er zat teveel ongedierte en vocht in en de maïs was behoorlijk aangevroten. Kortom, wij kregen van Glencore een tweederangspartij toegeschoven in plaats van de normale kwaliteit. De voor ons bestemde partij van normale kwaliteit bleek voor 210 dollar per ton doorverkocht aan derden. Jim Wild, onze man in Kampala, heeft dat met eigen ogen geconstateerd.” Na voortdurende protesten van Chemimex bij Glencore zijn verdere maïsleveranties geannuleerd. Keulemans: “Wij hebben intussen een arbitragezaak tegen Glencore aangespannen bij de internationale bemiddelingsorganisatie SAFTA in Londen.”

Volgens Chemimex liep het World Food Program (WFP) van de Verenigde Naties de afgelopen maanden tegen een soortgelijk probleem op: grote handelaren die hun leveringsverplichtingen niet nakwamen waarna deze VN-hulporganisatie opnieuw de markt op moest om tegen nog hogere prijzen in te kopen. Het WFP in Rome, dat er geen belang bij heeft zijn relaties met de grote handelshuizen op de proef te stellen, wil daar desgevraagd niet op ingaan. Wel erkent het WFP bij monde van D. Scalici dat de witte-maïsprijzen in Afrika dit jaar tot grote hoogte zijn gestegen. Hij noemt grote vraag en schaarste als oorzaken. En marktmanipulatie door enkele grote Westerse graanhandelaren? “Misschien”, zegt de WFP-funktionaris behoedzaam. “Zij hebben inderdaad de mogelijkheid om met de prijs te spelen.”

Toch zegt F. LeNoble van het Haagse EuronAid, een overkoepelend orgaan van particuliere hulporganisaties, over de vermeende manipulatie: “Het wordt snel geroepen, maar het is moeilijk te bewijzen. Feit blijft dat wij nu met een gelijk budget minder voedsel kunnen komen. Dus krijgen de vluchtelingen minder.” LeNoble hekelt tegelijk de verminderde Westerse interesse voor de massale vluchtelingenproblematiek in Centraal-Afrika. Zo is van de voor dit jaar benodigde en toegezegde 300 miljoen dollar aan voedselhulp pas 180 miljoen binnen.

Wat te doen? “Er zijn in het verleden ter stabilisering van de Afrikaanse voedselmarkt en ter voorkoming van speculatie al eens plannen ontwikkeld voor de vorming van grote regionale voedselvoorraden”, zegt ontwikkelingsexpert Ad Oomen. “Maar dat plan kwam nooit van de grond wegens de hoge kosten. Als andere oplossing is wel het vooraf vastgestelde trekkingsrecht, de termijnmarkt, gesuggereerd. Ook dat werd niets. Maar als alle hulporganisaties er gezamenlijk hun schouders onder zetten, zou het wel lukken.”

Volgens Oomen blijft het een merkwaardige zaak: samen zouden de hulporganisaties zeker een vuist kunnen maken op de Afrikaanse voedselmarkt en na Glencore, Conagra en André de vierde grote 'speler' kunnen worden. “Zij zouden dan gezamenlijk en tijdig kunnen aankopen met alle voordelen van dien”, zegt Oomen. “Maar jammer genoeg blijkt in de wereld van de internationale hulpverlening onderlinge concurrentie belangrijker dan coördinatie. Zij laten zich daardoor gemakkelijk uit elkaar spelen door de grote handelaren.”

Waarschijnlijk zal de witte-maïsprijs weer wat dalen als de komende zomer een nieuwe oogst beschikbaar komt. Maar bij een ongewijzigde situatie zullen exorbitante prijsstijging/opdrijving zich zonder twijfel herhalen.