Leven op Gillette

AMSTERDAM. Een gewoon feestje op een gewone voorjaarsavond, in een benedenflat op Kattenburg. Buiten schalt de muziek van de band, en de fietsen staan in trossen tegen de gevel. Onbegrijpelijke woorden in de gang, gelach en vreemde talen binnen, tafels vol eten, drank, leren jasjes, mini-rokken en hier en daar iets deftigs. Zo'n tachtig mensen, vrijwel allemaal onder de dertig, en allemaal hebben ze een geschiedenis die vergeten moet worden. Dit is een typisch naoorlogs feestje - misschien kun je zelfs beter spreken van een tussen-oorlogs feestje. Dit is een van de weinige plekken ter wereld waar Serviërs, Kroaten en Bosniërs nog samen praten, dansen en verliefd op elkaar worden.

Nives Rebernak is jarig. Nives, een fragiele en gedreven vrouw, was jarenlang de motor achter de voormalige hulporganisatie voor ex-Joegoslavische vluchtelingen Mizamir. Vanaf het begin van de oorlog was haar huis één groot actiecentrum, vol rebbelende meisjes uit Sarajevo, deserteurs uit Belgrado en sombere studenten uit Zagreb. Ze zaten de hele dag samen sigaretten te roken omdat er weinig anders te doen viel. Wie niet opgesloten wilde worden in een asielzoekerscentrum achterin een Hollandse polder en koos voor een vrij minimumbestaan kwam onvermijdelijk bij haar terecht.

Tegenwoordig runt Nives de Stichting Home for Peace and Non-Violence, een pacifistische zelfhulpgroep van zo'n tweehonderd mensen uit het voormalige Joegoslavië. “Wat je hier ziet zijn geen dienstweigeraars, maar oorlogsweigeraars”, zegt ze. “Het zijn de jongens en de meisjes die het fatsoen hadden om niet aan de oorlogshysterie mee te doen, en daarom zitten ze nu hier, vaak al vanaf 1991.” Ze wijst ze aan, stuk voor stuk. Ze hebben zich in leven gehouden met de vierhonderdvijftig gulden zakgeld van de staat, ze hebben op straat getekend, gitaar gespeeld, op flessengeld geleefd, voor oppas gespeeld, kleine klusjes gedaan. Hoewel met name de jongens vrijwel allemaal om dezelfde redenen hier gekomen zijn, hebben ze nu, na vier jaar, alle verschillende verblijfsstatussen die maar mogelijk zijn: enkelen hebben een officiële vluchtelingenstatus met huizen, beurzen en riante uitkeringen, anderen hebben een gewone verblijfsvergunning, weer anderen hebben nog steeds niets, en enkele tientallen zijn afgewezen, worden enkel nog 'gedoogd' en leven op droog brood. Eén ding heeft dit feestende gezelschap wel gemeen: bijna niemand heeft kans gezien een normale baan te vinden. Van gewaardeerde figuren aan de universiteit of in de kunstenaarswereld werden ze in Nederland een 'niemand', en dat bleven ze.

Ik raak in gesprek met een jongen met een paardestaartje, een bekend gitarist uit het Servische Novi-Sad. Zijn vriend komt erbij staan, en ik krijg een college over de afvalcontainers achter Marks & Spencer en Albert Heijn. Iedereen weet ze te vinden, omdat ze op zaterdagavond vol kant-en-klaarmaaltijden liggen waar de uiterste verkoopdatum van verlopen is. “Maar tegenwoordig staat er bewaking bij, of ze spuiten er iets op waardoor het niet meer te eten is.”

Er zijn nieuwe richtlijnen over de uitkeringen en niemand snapt er meer iets van. Er zijn 'kleine' uitkeringen van vierhonderdvijftig gulden en 'grote' van rond de twaalfhonderd gulden. Sommigen krijgen na afwijzing van hun verzoek om verblijf niets meer. Maar anderen krijgen dan juist opeens een 'grote' uitkering. Weer anderen hebben al die jaren nooit iets gehad. Maar wie zich tussen half december en half januari had ingeschreven kreeg opeens zomaar een 'grote' uitkering. Ik zie de papieren van twee vrienden, dezelfde datum, exact dezelfde situatie: de een niets, de andere een 'grote' uitkering, alleen de contactambtenaar verschilde.

Zo worden tientallen vluchtelingen niet meer uitgezet met fysiek geweld, maar beschaafd en discreet het land uitgehongerd. Nives laat me een lijst zien van mensen die nog wachten. Eenderde heeft sinds september een afwijzing gekregen. Ik zie Anja (24) uit Zagreb en Mico (22) uit Novi Sad, die samen op 16 november 1994 in Amsterdam een kind kregen, hun dochtertje Noa. Alle drie afgewezen. Twee weken geleden is ook hun uitkering stopgezet. “Je komt dan voor vreemde vragen”, zegt Nives. “Moet hij dan naar Servië en zij naar Kroatië? En moet het kind bij hem of bij haar blijven? Ik heb geen idee wat ze gaan doen.” Het is een complete tombola. Milan, een Servische dienstweigeraar die thuis gegarandeerd wordt opgepakt, moet Nederland uit. Maar de lieftallige Katja uit Montenegro, waar nog nooit een schot gelost is en die ook verder voor niets hoeft vrezen, heeft een A-status gekregen, met huis en al. Natuurlijk is iedereen blij voor Katja. Ze had het geluk dat ze bij een goed contingent zat. En Milan en Anja en Mico hadden de pech dat hun zaak pas na september 1994 uit de stapel werd gevist, toen men vrijwel alle Kroatische en Servische aanvragers begon af te wijzen. En zo zal er voor de Haagse beleidsmakers ongetwijfeld voor alles een reden zijn. Maar voor de mensen op dit feestje is het allemaal van een lachwekkende willekeur, zo niet erger.

Eén ding is wel duidelijk: Nederland is, net als sommige andere Westeuropese landen, sinds een half jaar systematisch bezig om de Servische en Kroatische oorlogsweigeraars weer terug naar huis te drijven. Alleen al voor Servië gaat het daarbij om naar schatting tweehonderdduizend jongens. Sinds kort weten we vrij precies wat hen te wachten staat. “Soldaten en officieren die naar het buitenland gingen om zich aan de dienst te onttrekken worden in geval van terugkeer zonder uitzondering strafrechtelijk vervolgd”, zo meldt het Servische Helsinki-comité voor de Mensenrechten in een uitvoerig rapport over deze kwestie. Ze kunnen worden gestraft met een gevangenisstraf van één tot twintig jaar. Bovendien is het, aldus het rapport, “bij alle strijdende partijen gewoonte om de gemobiliseerde leden van de 'vijandelijke nationaliteiten' zonder training en uitrusting mijnenvelden te laten ruimen. Deze personen worden tijdens de oorlogshandelingen opzettelijk naar de voorste slagorde's gestuurd om zo een levend schild te vormen.” Volgens de richtlijnen van de Hoge Commissaris voor Vluchtelingen van de VN (UNHCR) verdienen de oorlogsweigeraars uit Servië en Montenegro dan ook internationale bescherming (brief d.d. 17 januari 1994) - maar dat advies lapt de Nederlandse bureaucratie liever aan haar laars.

De weinigen die zich nog actief voor deze categorie buitenlanders inzetten staan grotendeels alleen. Er zijn geen actieve pools van juristen meer, zoals in de jaren zeventig. Veel advocaten besteden bovendien, mede door de lage honoraria, steeds minder aandacht aan vluchtelingenzaken - en soms is er van een serieuze behandeling zelfs nauwelijks meer sprake. Andere advocaten nemen alleen nog de makkelijkste, meest lucratieve gevallen aan, en weigeren de rest. In zaken van vluchtelingschap, racisme en nationalisme staat het verbale geweld van veel actiegroepen in geen verhouding meer tot de steun die de slachtoffers werkelijk krijgen.

Als er geen hoop is, moet er maar hoop gemaakt worden. Een meisje met Greta Garbo-ogen wiegt mee met de band. “Wij leven op Gilette”, zegt Nives. “Als Dubrovnik beschoten wordt kan het hier ook elk moment knallen.” De accordeonist zet in, en langzaam en heel voorzichtig wordt er gedanst.