In de internationale competitie legt de Nederlandse werknemer het af

Het verdwijnen van de grenzen in de handel heeft zijn weerslag op de Nederlandse arbeidsmarkt. De traditionele 'vaste baan' verliest het van de 'flexi-arbeid' en sociale zekerheid is eigenlijk te duur. B.M.S. van Praag en J.A Kamps bepleiten protectie van ons arbeidsklimaat.

De Nederlandse arbeidsmarkt is fundamenteel en structureel aan het veranderen. De structurele verandering kan eigenlijk in één zin worden samengevat. De arbeidsmarkt wordt weer gezien als een markt, waar partijen onderhandelen over de prijs en de deelbaarheid van de arbeid. Men zoekt naar 'flexi'-contracten in de vorm van uitzendarbeid, inlenen, detacheren, afroepcontracten, enz. enz. Kan bij deze flexibilisering het systeem van sociale zekerheid, zoals dat in beschaafde westerse landen gegroeid is, gehandhaafd blijven? Wij zijn hier pessimistisch over.

Naar goed marxistische zede zien wij arbeid als een 'waar' die de ondernemer koopt op de arbeidsmarkt wanneer hij haar nodig heeft. Behalve door de prijs wordt de aantrekkelijkheid bepaald door de opbrengst (produktiviteit) van de ingehuurde arbeid en de deelbaarheid. De opbrengst hangt sterk af van de kennis en de specialisatie van de werker en de snelheid waarmee zijn relevante vaardigheden verouderen 'zonder bijtanken onderweg'. Wij hebben de indruk dat de wensen omtrent scholing en specialisatie in de meeste beroepssegmenten sterk gestegen zijn en dat het verouderingstempo, dat wil zeggen de snelheid waarmee het human capital deprecieert, sterk toeneemt. Bovendien is er een groeiende onzekerheid bij bedrijven of men werknemers die men nu aanneemt over tien jaar nog nodig heeft. Het investeren in een vaste aanstelling is de laatste twee decennia riskanter geworden, en dat geldt eens te meer nu alle uitwegen voor de werkgever, zoals VUT en WAO, successievelijk worden afgesloten. Het is het samenspel van deze drie factoren dat de positie van de arbeid structureel verzwakt.

Het is zeker zo dat de opbrengst per werker in sommige segmenten toeneemt, maar voor een groot deel ligt dit aan de stijging van de hoeveelheid kapitaal per arbeidsplaats, en voor een ander deel aan het feit dat minder-produktieven worden uitgestoten uit het arbeidsproces. De arbeidsproduktiviteit van de gehele actieve en niet actieve beroepsbevolking stijgt waarschijnlijk helemaal niet. Alles bijeengenomen wordt de factor arbeid voor het bedrijfsleven minder aantrekkelijk en de werkgever gaat dus minder bieden, in loon en/of in secundaire arbeidsvoorwaarden. Daar loondalingen moeilijk realiseerbaar zijn zoekt men het dan in flexibiliteit. Hierdoor wordt het risico op leegloop van werkers waar tijdelijk geen werk voor is of die door hun verouderde kennis niet meer inzetbaar zijn, voor de ondernemer verkleind of zelfs geëlimineerd. Het afroep-contract en het uitzendbureau verheugen zich in toenemende populariteit. Verspreide uitlatingen, bijvoorbeeld recentelijk van de Stork-directie, suggereren dat het bedrijf van de toekomst slechts de helft van de werknemers een traditionele vaste baan zal aanbieden.

De werknemers verzetten zich natuurlijk tegen deze tendensen die evenzovele aanslagen op hun rechtspositie betekenen. Ze ondermijnen het hele verwachtingspatroon dat na de oorlog gegroeid is over de beroepscarrière. Het voltijdscontract met ontslagbescherming is niet langer vanzelfsprekend. Het belangrijkste punt lijkt nu de 'flexibiliteit' te worden. Het betekent een permanente onzekerheid omtrent alles wat vroeger zo zeker leek: werk, salaris, hypotheek, woonplaats, levensstandaard, de mogelijkheid om kinderen te onderhouden enzovoort. Zelfs het vaste leefritme wordt door de 24-uurs economie ontwricht. Dit moet zijn invloed hebben op alle individuen die in de gevarenzone zitten of verwachten daar misschien ooit nog eens terecht te komen.

De vraag is nu hoe al deze tijdelijke deeltijdwerkers zonder toekomstperspectieven in leven moeten blijven, wanneer hun beloning uit arbeid onvoldoende is. Het traditionele antwoord van de welvaartsstaat is dat hiervoor nu juist de sociale zekerheid bestaat, die toch in ieder geval elke burger een bestaansminimum kan garanderen.

Is het huidige sociale bestel in staat om op grote schaal met flexi-arbeid om te gaan? Het stelsel bezwijkt nu al bijna onder de uitkeringslasten. Bij een toenemende populariteit van de flexi-arbeid komen daar de leegloopkosten bij, die niet door de werkgever maar door de sociale fondsen moeten worden bekostigd. En er is meer. Administratief is het bijkans ondoenlijk voor de uitvoeringsorganen om een uitkering te baseren op het grote aantal werkgevers en inkomentjes dat de uitzendkracht in bijvoorbeeld de laatste twee jaar heeft gehad. En wat is de betekenis van de premiedifferentiatie in de Ziektewet en de WAO als de figuur van een centrale werkgever ontbreekt? De financiële prikkel om het ziekteverzuim van deze flexi-werkers te beperken ontbreekt voor de vele kortstondige werkgevers. Zij dragen de kosten van de leegloop niet. In feite is de uitzendkracht juist een prima middel om het ziekterisico af te kopen.

Past de traditionele uitzendkracht al moeilijk in het bestaande sociale-zekerheidsstelsel, met de nieuwe flexi-vormen wordt al helemaal een onontgonnen terrein betreden. Hoe om te gaan met het belang van toenemend detacheren van werknemers? Deze werknemers hebben een dienstverband (voor bepaalde of onbepaalde tijd) bij een werkgever, die op zijn beurt de arbeid aan derden ter beschikking stelt. Is hier sprake van een 'gewoon' regulier dienstverband, met al zijn toeters en bellen, of moet worden gesproken over uitzendarbeid met een geheel eigen regulering? En hoe moet worden omgegaan met de CAO's? Geldt die van de inlener of van de uitlener? En welke Bedrijfsvereniging is van toepassing? En hoe zit het met de zeggenschap? Inspraak bij een werkgever waar niet gewerkt wordt zegt niet veel. Die moet liggen bij de inlener, maar de wettelijke basis daarvoor ontbreekt.

De vraag is nu of wij Gods water over Gods akker moeten laten lopen en doen of onze neus bloedt. Dat onze arbeidsmarkt niet meer op aangename wijze te reguleren valt is naar onze mening grotendeels te wijten aan de internationalisatie. Onze grenzen zijn volledig open. Dit betekent een arbeidsmarkt die zich niet meer kan isoleren van Europa, maar ook niet van Zuid-Korea, Singapore en Thailand. Willen wij de concurrentie handhaven dan dient de prijs van onze arbeid vergelijkbaar te worden met de prijs van evenwaardige arbeid in het buitenland. Daarin is nauwelijks ruimte voor een systeem van sociale zekerheid. De wereld is guur geworden. De speelruimte voor een eigen politiek op het gebied van arbeidsmarkt en sociale zekerheid is illusoir.

Hiermee zijn we terug bij de vraag die Clinton en ten onzent Van der Zwan reeds stelden. Gaat de slechting van de grenzen niet te snel voor het Westen? Zouden we het proces niet moeten temporiseren, totdat de wisselkoersen en de binnenlandse prijs van de arbeid (inclusief de kosten van de sociale zekerheid) in al die buitenlanden zo zijn geëvolueerd, dat ons prijspeil van de arbeid ruwweg concurrerend is geworden met het buitenlandse prijspeil, afgezien van efficiency-verschillen? Op het moment zou dit ruwweg een handelsblok voor het OESO-gebied (zonder Mexico) betekenen. Natuurlijk betekent dit dat dit gebied dan minder deel heeft aan de zegeningen die internationale vrijhandel nu eenmaal biedt. Maar het impliceert ook dat wij ons arbeidsklimaat in grove trekken kunnen bewaren. Ongetwijfeld zullen ook de emerging economies op den duur naar ons type van sociale structuur convergeren en dan kunnen we de handelssluizen aan onze grenzen (dat wil zeggen van de EG of OESO) geleidelijk aan openen.