IMF: kapitaaltekort valt mee

WASHINGTON, 25 APRIL. Krijgt de wereld te maken met een tekort aan besparingen? De toenemende kapitaalbehoefte in de voormalige communistische landen en de grote kapitaalstroom naar veel ontwikkelingslanden doet vermoeden dat het antwoord bevestigend moet luiden. Na een uitvoerige analyse in de jongste World Economic Outlook komt de staf van het Internationale Monetaire Fonds (IMF) echter tot de conclusie dat het waarschijnlijk zal meevallen. Tegelijkertijd maken de IMF-experts duidelijk dat de druk op de beschikbare financiële middelen nu al negatieve effecten heeft op de welvaart in de wereld.

De hoge reële rente sinds het begin van de jaren tachtig wijst er volgens het IMF in elk geval op dat de vraag naar kapitaal sneller is gestegen dan het aanbod. In de jaren zestig stegen de besparingen in de wereld nog tot zo'n 23 procent van het bruto binnenlands produkt (bbp), vooral door toedoen van het spaargedrag in Japan. Begin jaren negentig lag de spaarquote zo'n 2 procentpunten lager.

De particuliere spaarders legden nauwelijks minder geld opzij. De overheden in de industrielanden waren de grote boosdoeners. Zij legden veel minder geld opzij voor pensioenvoorzieningen en infrastructuur. Terwijl de particuliere spaarquote met circa 20 procent nagenoeg gelijk bleef, daalde die van de overheden van 4 procent tot slechts 0,5 à 1 procent. Deze daling deed zich voor in alle industrielanden met uitzondering van Japan.

De besparingen in de ontwikkelingslanden namen daarentegen van 19 procent van tot 27 procent van het bbp toe. De Aziatische landen spanden de kroon met ruim 31 procent (in 1993). Vooral particulieren waren hiervoor verantwoordelijk.

Een van de verklaringen voor de uiteenlopende ontwikkeling tussen industrie- en ontwikkelingslanden is volgens het IMF dat besparingen bij een groeiend inkomen aanvankelijk meer dan proportioneel toenemen, terwijl boven een bepaald inkomen per hoofd de spaarquote afvlakt. Bovendien nemen besparingen bij een toenemende vergrijzing van de bevolking af. Hogere besparingen leiden niet alleen tot een hoger bbp, omgekeerd leidt een hoger bbp ook tot hogere besparingen. Het IMF spreekt in dit verband van een 'deugdzame cirkel', wat betekent dat ontwikkelingslanden bij economische groei steeds meer eigen besparingen genereren voor de financiering van de noodzakelijke investeringen.

Volgens het IMF zijn de publieke financiën in de industrielanden een “sleutelfactor” in de beschikbaarheid van besparingen voor de noodzakelijke investeringen. De grote overheidsschulden in veel van deze landen absorberen een groot deel van de besparingen. Uit analyses blijkt volgens het IMF dat er een nauw verband bestaat tussen de groei van de overheidsschulden en de stijging van de reële rente in de wereld sinds de jaren zestig. De hogere rente leidt weliswaar tot meer particuliere besparingen, maar deze bieden onvolledige compensatie voor groei van de publieke schuld. Vandaar ook het warme pleidooi in de World Economic Outlook voor snellere sanering van de overheidsfinanciën.

De IMF-staf schetst de risico's aan de hand van twee scenario's. Indien de overheidsschulden in de industrielanden evenveel zouden stijging als de afgelopen 25 jaar, zou de reële rente in de wereld met 100 basispunten stijgen. Dit zou leiden tot een permanente vermindering van de kapitaalvoorraad met twaalf procent, wat weer leidt tot een vermindering van het consumptieniveau met 2 procent. “Dit is een aanzienlijke welvaartsdaling, gelijk aan het verlies van een jaar produktie voor elke generatie.”

Het tweede scenario behelst een vermindering van de particuliere besparingen. Het IMF neemt als voorbeeld Japan, dat als 'superspaarder' 15 procent van de besparingen in de wereld voor zijn rekening neemt. Bij een daling van de Japanse besparingen met 10 procent, zouden de besparingen in de wereld met 1 procent afnemen.

De IMF-economen suggereren op basis van een historische analyse ook dat een land bij een gebrek aan eigen besparingen slechts tot een zeker maximum zonder risico's kapitaal kan importeren. Volgens het IMF is een kapitaalimport van 4 tot 6 procent “houdbaar” onder bepaalde omstandigheden. Het door een crisis geteisterde Mexico importeerde volgens deze IMF-norm te veel kapitaal. In de periode 1991-1994 lag de Mexicaanse kapitaalimport op 7 procent van het bbp.

Nu groei in de industrielanden aantrekt zullen deze meer in de eigen economie investeren. Dat is volgens het IMF een extra argument voor ontwikkelingslanden met grote behoeften aan kapitaal en dus besparingen het eigen huis financieel op orde te hebben.