Het nieuwe Parijs

Ik ging naar Parijs om de Grande Arche te zien. Maar eenmaal in Parijs liet ik mij verleiden door allerlei poëtische overwegingen als straatgeur en zonnige doorkijkjes, zodat ik de hele Arche vergat. In geen vijftien jaar was ik in Parijs geweest en ik vond de stad sterk veranderd. Mooier en netter. Gebouwen schoon gewassen, veel hekken hadden gouden punten gekregen, puur goud, en de politie-agenten droegen eindelijk normale petten.

Het was winderig en de zon scheen. Ik was de Gare Montparnasse naar binnen gegaan, zag de TGV's, acht op een rijtje en ik dacht, een ritje naar Orléans en terug, wat is daar op tegen. Frankrijk is zeer modern, want je Eurocard door de gleuf gehaald en je hebt een ticket naar Marseille, Rome of Londen. Maar Orléans kwam niet op het lijstje voor. Te dichtbij misschien, zodat ik m'n Eurocard weer opborg en het station uitliep.

Als je geen doel hebt, zie je de meest onverwachte dingen. Ik liep op het Cimetière du Montparnasse, in m'n eentje, want het was nog steeds vroeg. Imposante familiegraven, die in steen melding maakten van allerlei medailles d'honneur en andere wapenfeiten, hekjes met gouden punten. O, dierbaarheid met z'n allen tot één familie te behoren! Ook veel joodse graven, wat interessant is want daar is internationaal altijd veel aan af te lezen. Toen, totaal onverwacht, gewoon een rijtjesgraf: Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir, met de jaartallen. Een witte steen, 'eenvoudig' - dat moet de bedoeling geweest zijn, maar de steen is zo klein, en het graf ook, dat het haast een hondegrafje lijkt. Daar liggen ze naast elkaar, of op elkaar: twee kleine mensjes die de wereld een kwartslag hebben gedraaid, indertijd. De jaren vijftig. De steen, zo te zien, is ook van die tijd. Die zullen ze toen al hebben uitgezocht. Hij is van boven breder dan van onder; hij staat taps in de aarde, als de wafel in een ijsje. Wat een burgerlijk grafje. Maar het is het enige graf waar verse bloemen op liggen - ze leven nog wel, die twee. Een lycéïste staat op een bloknootje aantekeningen te maken.

Een uur later wandel ik de Seine over. Ik sta bij het nieuwe Louvre om me heen te kijken, onderzoek de piramide. Rome heeft een piramide en Parijs nu ook. Parijs heeft een obelisk uit Egypte op de Place de la Concorde, daarachter zie je de Arc de Triomphe en daarachter, op de horizon, jawel: de Grande Arche. Al die bouwwerken liggen op één lijn, die tien kilometer lang is en na die tien kilometer, afgelegd als langs een lineaal, zijn daar die banken om op te zitten. Je bent aangekomen in het 'voorportaal', bestaande uit een orgel van dansende fonteinen. Een feest voor het oog, maar evenzeer voor het oor: waterexplosies in de lucht alsof het vuurwerk is. Verderop, aan het einde van dit stille, autoloze plein, zie je de brede, witte trappen waar veel jonge mensen zitten, met boeken en collegedictaten.

De Grande Arche is een poort, maar ook een kantoorgebouw, honderd meter hoog, in de vorm van een kartonnen doos waarvan twee tegenover elkaar staande wanden zijn opengelaten.

Ik bestijg de trappen en loop de doos in. Met het hoofd in de nek kijk ik naar een plafond dat zo hoog is, en tegelijk zo beangstigend dichtbij, dat het met al die vierkante kraters een hemellichaam lijkt. De onderkant van de maan, die op het punt staat te landen.

Langs de zuidzijde van de doos gaan liften omhoog en naar beneden, capsules vol mensen. Kijk 's aan, daar moet ik zijn. Ik koop een magneetkaart, krijg toegang tot de capsule, stijg en verlaat de aarde. Even later sta ik op het winderige dak, achter hekken, zonder gouden punten, tegen zelfmoordenaars. De Eiffeltoren staat vlakbij, kun je bijna aanraken...

Ik ga weer naar binnen, loop het restaurant in omdat ik wel trek heb en zie daar mijn vrouw zitten. Totaal onverwacht, maar dat is nou de beloning van het doelloze zwerven, vertel ik haar. Hoe is het mogelijk.

'Dit stond toch op je programma?'

Ze beweert dat ze op het dak, achter zo'n kijker voor een franc, me onder de Arc de Triomphe door heeft zien marcheren, op weg naar haar toe.