Groepstentoonstelling van Rotterdamse kunstenaars in de HAL aan de Maas; Stroomopwaarts prikt als zout in open wond

Tentoonstelling Stroomopwaarts. T/m 14 mei. HAL, Wilhelminakade 33, Rotterdam. Di t/m zo 12-19u. Affiche/catalogus ƒ 10,-.

Stroomopwaarts is de titel van de derde groepstentoonstelling van Rotterdamse kunstenaars, na Assorti (1990) en Dr. Brewster en Co (1991). Was bij deze exposities de organisatie nog in handen van de kunstinstellingen, dit keer namen kunstenaars zelf het initiatief. De speciale marketing-cursus voor kunstenaars die één van de organisatoren volgde, werpt meteen vruchten af, zo constateerde de Rotterdamse wethouder voor kunstzaken, Hans Kombrink, tevreden bij de opening die zaterdag plaatsvond in de HAL, de voormalige vertrekhallen van de Holland Amerika Lijn. Buiten de HAL ligt in de Maas de ranke 'zwaan' voor de Erasmusbrug.

Binnen is het schokeffect groot en het lawaai oorverdovend. Grote-stadserotiek noemt Bertus Weeda zijn schilderij van een invalide oude vrouw in een strak zwart leren pak. Vorm en inhoud van dit doek zijn echter nog traditioneel vergeleken bij datgene wat de bezoeker verder te wachten staat. Marieke van der Lippe legde op video lugubere beelden vast van een baby die telkens kopje-onder gaat, terwijl Q.S. Serafijn hetzelfde medium gebruikt om onder luid getoeter anale fantasieën te tonen. Onzichtbaar verborgen in een houten container, maar minstens zo luidruchtig zijn de Wan(d)klanken die Jeanne van Heeswijk in samenwerking met de Duitse componist Claus van Bebber produceert.

Heftig en confronterend is ook de installatie van David Bade/Ellen Ligteringen, Ronald Cornelissen, Erik van Lieshout en Charlotte Schleiffert. Met hompen halfgebakken deeg, smerig geschilderde mannen, vrouwen en onderlijven willen zij de toeschouwer ontregelen. Op een tekening staat, net als bij grafitti op de wc, onder de kreet 'Ter land, ter zee en in de lucht' 'Zo kan ik het ook'. Hoog in een hoek van de ruimte ligt een bolle anti-diefstalspiegel die uit een supermarkt werd gesloopt.

Dagelijks zijn deze jonge kunstenaars getuige van de problemen van de grote stad - verloedering, criminaliteit, discriminatie. Ze hebben genoeg van formele, zouteloze kunst, zeggen zij in een gesprek met Elly Stegeman dat op het tentoonstellingsaffiche is afgedrukt. Kunst moet ergens over gaan, ze willen 'zout gooien in de wond van de maatschappij, onaanvaardbare dingen maken die mensen tegen de borst stuiten'. Dit klinkt bijna ouderwets en vertrouwd: maakt de avantgarde zijn come-back? In ieder geval laten deze indringende, agressieve beelden de toeschouwer niet onberoerd.

Op de tentoonstelling blijkt duidelijk dat er niet één Rotterdamse School is - verschillende stromingen en persoonlijkheden werken naast elkaar. Behalve geensceneerde fotografie (Henk Tas, Rommert Boonstra) zijn er verfijnde, Ingres-achtige houtskooltekeningen te zien van Juul Kraijer (1970) die vorig jaar afstudeerde aan de Rotterdamse Academie voor Beeldende Kunst en twee weerbarstige abstracte schilderijen van de nestor van dit gezelschap van Rotterdamse kunstenaars, Mathieu Ficheroux (1923).

De presentatie van Klaar van der Lippe en Joep van Lieshout stelt, naast al deze nieuwe heftigheid, een beetje teleur. Zij tonen foto's van gezamenlijke projecten zoals een houten kantoortje voor de Amsterdamse galerie Welters en de verbouwing van een huis. Hoe moeilijk het is om na een flitsende start dóór te gaan, bewijst het nieuwe beeld van Dré Wapenaar. Getuigt zijn constructie van oranje markiezen uit 1992 nog van durf, het schuurtje dat hij dit jaar timmerde, onderscheidt zich niet van bouwsels die men doorgaans in volkstuinen aantreft. Hetzelfde lot dreigt voor de beelden van Olaf Mooij. De torens van knalgroene luchtbedden of aluminium wegwerpschalen zijn nu nog wel grappig, maar dit soort ideetjes verveelt snel.

Ook sommige foto's en schilderijen zijn eigenlijk beneden de maat. Van de portretfoto's van Wies Meijer en de gefotografeerde wolkenkrabbers van Anne Bousema neemt men kennis, maar ze beklijven niet. De borduurwerkjes die Nicole Driessens naar foto's maakte, komen niet boven het niveau van artistieke huisvlijt uit.

Ondanks de minder sterke bijdragen die in een groepstentoonstelling met 61 deelnemers bijna onvermijdelijk zijn, geeft Stroomopwaarts als geheel toch de indruk dat er in Rotterdam niet alleen hard, maar soms ook rauw en uitbundig wordt gewerkt. Wat dat betreft was de oorspronkelijke titel Rottkunst treffender dan het wat oubollige Stroomopwaarts.