Glenn Hoddle

Komende maand oktober hoopt (mag ik aannemen) Glenn Hoddle 38 jaar oud te worden. Hij zal die verjaardag niet als actief voetballer beleven, want zojuist maakte hij bekend dat hij niet langer als speler zal optreden maar louter als Chelsea-manager. Die beslissing is tamelijk logisch. Niet alleen eindigt zelfs de mooiste herfst een keer en bovendien is de combinatie speler/trainer heel zwaar, alhoewel in Engeland tamelijk gebruikelijk. Waarom er toch een waas van lichte droefenis rond het terugtreden van Hoddle hangt, komt eensdeels door de omstandigheid dat hij nog steeds zeer goed kan voetballen en anderdeels door het feit dat hij vorige week bij Chelsea-Zaragoza in het halfuurtje dat hij meespeelde de beste man van het veld was. Glenn kón het heel goed (53 interlands, acht goals van buitengewone schoonheid) en Glenn kan het nog steeds. Sommigen verleren het nooit. Twee jaar geleden, bij een aardigheidje tussen de intussen bejaarde elftallen van Feyenoord en Celtic uit 1970, waren er twee vijftigers die er bovenuit staken: Van Hanegem en Johnstone, 'de vlo uit Glasgow'.

Glenn Hoddle was een on-Engelse voetballer met een continentale balbeheersing. Hij was geen speler die zich het schompes liep. Een soort Abe Lenstra, zij het meer aan de bal dan de singuliere Fries. Hij was een beetje te vergelijken met Len Shackleton, die in de vijftiger jaren in Hull met Engeland-B tegen Oranje opereerde. Ik zie hem nog de bal achter zijn standbeen doorspelen, wat alle aanwezige Nederlandse journalisten met stomheid sloeg, waarna de Britse collega's ons vertelden dat dit één van de vijftig trucjes was die op het repertoire van Shackleton stonden. Toch kwam die geweldenaar tot niet meer dan vijf interlands, wat gezien zijn hoeveelheid talent belachelijk weinig was. Aan de andere kant hadden alle coaches en keuzecommissies het grootste gelijk van de wereld als zij 'Shack' verweten dat op hem niet te rekenen viel. Het was alles of niets en het genie zelf had er geen flauw idee van wat het vandaag zou worden met hem. Ook hier ligt de vergelijking met Abe voor het grijpen. Nu was Shackleton arrogant, wat Lenstra niet was en Hoddle evenmin. Maar coaches zoeken doorgaans met het zweet op de kop naar zekerheden. Gedeeltelijk berust die zoektocht op een misverstand, maar er zijn talenten die wel heel erg onberekenbaar zijn. En die vallen doorgaans het eerst af. Zo gezien is het nog een mirakel dat Abe het tot 47 interlands bracht en Hoddle tot 53. Wat Shackleton extra tegen had was dat hij vaak de clown speelde en daardoor de indruk vestigde dat het resultaat bij hem alles behalve heilig was.

Een bijkomend probleem met aparte, van geniale vonken voorziene voetballers is vaak dat zij in een elftal moeten spelen dat rondom hen is gebouwd. Terwijl de grote man zich ietwat dromerig over de grasmat beweegt dienen volijverige waterdragers met longen als paarden de gaten op te vullen en het zware opofferende werk te doen. Wachtend en biddend op het ogenblik waarop het genie het moment gekomen acht waarop hij zo mogelijk beslissend kan ingrijpen in de strijd. Tegenwoordig kan dat in de buurt van de top al nauwelijks meer. Voetbal is zoveel atletischer geworden dat ook Bergkamp geen rustpauzes meer inlast en Savicevic verplicht wordt voortdurend bij de les te zijn. Een wetenschap welke mij er niet van kan weerhouden af en toe met iets van weemoed terug te denken aan hun voorgangers in die andere, simpele voetbaltijd, waarin zij ons zoveel moois hebben geboden - ondanks hun beperkingen.