Gevangene bidt om vergeving van Allah

Aan de rand van het uitgestrekte duingebied doemt de hoge muur op van het Penitentiair Complex Scheveningen. Binnen, in een klein kamertje, zitten imam M. Dündar en Birol Çicek. Op tafel liggen de Koran en de leesbril van Dündar.

Birol (28) kwam zeventien jaar geleden vanuit Turkije naar Nederland. Voor de tweede keer in zijn leven verblijft hij in de gevangenis. Eerder zat hij vijftien maanden in de cel omdat hij iemand had neergeschoten. “Dat was een les voor mij,” vertelt Birol. Toen hij vrij kwam kon hij aan de slag in een apotheek. Hij trouwde, zijn leven leek op orde.

Intussen zit Birol weer vast. Na zeven maanden voorarrest kreeg hij onlangs te horen dat hij is veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf. “Het is Gods wil dat ik hier zit”, zegt Birol nu. Hij had een eigen bar willen openen, maar dat plan mislukte. “Toen ging ik drinken, onwijs veel, elke avond.” Op een dag schoot hij, verstrikt in een ruzie, twee mensen neer.

“Clean worden, volgens de islam gaan leven en als een goede vader terugkeren in de maatschappij”, die doelen heeft Birol zich gesteld. Hij komt uit een gelovige familie maar is “vrij opgevoed”. “Ik heb nooit veel aan het geloof gedaan, zeker de laatste jaren niet. Door die alcohol was ik helemaal van de wereld.” Tijdens zijn detentie in Scheveningen is dat veranderd: “Ik ben blij dat ik vast zit. Ik heb mezelf, mijn geloof en mijn waarden teruggevonden”, aldus Birol. “Dankzij imam”, voegt hij er aan toe.

Imam Dündar komt ook uit Turkije. Veertien jaar geleden besloot hij naar Nederland te gaan “omdat ik hoorde dat er hier veel moslims maar weinig imams waren”. Sinds twee jaar is hij geestelijk verzorger van de ongeveer honderdveertig moslims in het Huis van Bewaring in Scheveningen en heeft hijeen aantal vaste uren in een gevangenis in Rotterdam. Op verzoek doet hij andere penitentiaire instellingen aan. Dündar is niet in vaste dienst van het ministerie van justitie zoals protestants-christelijke, rooms-katholieke en humanistische verzorgers, maar krijgt een uur- en reiskostenvergoeding.

Als een gevangene laat weten dat hij moslim is of als zijn naam doet vermoeden dat hij een islamitische achtergrond heeft, probeert Dündar hem in contact te brengen met het geloof. “Maar ze moeten zelf weten of ze met mij willen praten”, benadrukt hij. “Je bent nooit aan iemand verplicht om te geloven”, vult Birol aan, “ het is iets tussen jou en Allah.”

Volgens Dündar hebben zijn gesprekken met gedetineerden effect: “Buiten lopen mensen heel hard. Hier gaan ze nadenken over hun daden en over de toekomst. Als ze vrijkomen beloven ze mij dat ze geen slechte dingen meer zullen doen.”

Birol: “Imam doet zijn best om ons op het rechte pad te houden, hij drinkt een bakje thee met ons en vertelt wat de Koran zegt over alcohol en drugs.” Hij spreekt Dündar iedere donderdagavond.

De mannen roken een sigaret. Wat Birol waardeert is dat Dündar “ niet overdrijft”. “Hij zegt niet: je hebt iets fout gedaan, dus God gaat je straffen.” “Het is menselijk om fouten te maken”, onderbreekt Dündar. Birol: “Allah zal je vergeven, maar je moet niet met hem dollen. Als je hem alleen aanroept wanneer je het moeilijk hebt, vergeeft hij je niet.”

Het is niet gemakkelijk voor Birol om zijn geloof te beleven volgens de voorschriften van de Koran. Vijfmaal per dag bidden bijvoorbeeld, vindt hij een probleem. Want voor elk gebed moeten handen, voeten en gezicht gewassen worden. Maar in de cel is geen water. “Ik moedig mensen aan het toch te proberen”, zegt Dündar. “Als ze willen, kunnen ze flessen water halen. Voor mij hoeven ze niet te bidden, maar wel voor Allah. Allah geeft ons het leven en vraagt of wij daar iets voor terug willen doen. Ik ben heel blij als ik iemand zie bidden.”

Aan de zondagse gebedsdienst die Dündar verzorgt, kan Birol niet deelnemen omdat die niet toegankelijk is voor gedetineerden van de drugsvrije afdeling. “Waar slaat dat op”, vraagt Birol zich af. Wel leest hij uit de Koran en boeken over de islam. En hij troost zich met de gedachte: “Ik zit wel in mijn eentje in de cel, maar Allah is altijd bij me.”