Een vriend in Indië; Hij was de vijfentwintigste

Onze blauwhelmen en hun families worden voorgelicht, opgevangen en op de hoogte gehouden. Ruim vijfenveertig jaar geleden, toen 'onze jongens' naar Nederlands-Indië vertrokken ging het heel anders toe. Noch degenen die vertrokken, noch degenen die achterbleven wisten wat ze te wachten stond. Zes interviews met vrouwen die destijds voor enkele jaren afscheid namen van hun vriend.

Wil, 69 jaar, groeide op in een Brabants dorp. Na de lagere school werkte ze als dienstbode bij de burgemeester. Vier maanden kende ze haar vriend Henk toen hij naar Nederlands-Indië moest. Van 1947 tot 1950 zat hij daar bij de onderhoudstroepen. Zij wachtte op hem.

“Ik heb veel met andere mannen gedanst. Naast ons was een danszaal en je kan wel begrijpen, de muziek begon en ik was een jonge meid. Dan bleef ik echt niet op een stoeltje zitten als ze mij vroegen. Maar ze moesten niet verder komen dan dansen. Want ik had gezegd dat ik op Henk zou wachten. In 1947 ging hij naar Indië. Het was de bedoeling dat hij een jaar ging, maar dat werd twee jaar, en toen werd het drie jaar. Ik zei nog, die komt nooit meer terug. Maar ik heb gewacht. Ik was zo standvastig. In het dorp zeiden ze: 'Die wacht nog geen jaar'. Maar toen Henk weg was hoefde ik helemaal niets meer. Ik wist gewoon: hem wil ik. Hij was wel de vijfentwintigste. Dat maakte het wachten misschien makkelijker.

Ik vond het een mooie tijd van mijn leven, ik ben eigenlijk wel trots dat ik dat gedaan heb, dat wachten. Maar ik zou het nu niet weer doen. Want ik vond het een lange tijd. Iedere keer zeiden ze: nou komen ze naar huis, en dan was het weer niks. Dus wat had je nou met elkaar? We schreven heel veel ja. Die brieven, dat is wel het behoud van de liefde, zeg ik altijd. Ik denk dat het een half jaar later geweest is, toen hebben we ze verbrand. Waarom? Tja, Henk deed ze weg en toen zeg ik: kom op, we stoken ze maar gelijk op. Waarom moet je die bewaren?

Mijn moeder was heel bezorgd. Toen ik met Henk begon, zei ze tegen me: 'Meiske, wat doe je toch. Als hij nou straks met één hand of been thuiskomt.' Zelf was ik heel rustig daarin. Ik ben wel naar de kerk gegaan als er een extra mis voor de jongens was, omdat er dan net een actie aan de gang was in Indië. De kerk deed veel voor de meisjes. Ze organiseerde van die meisjesavonden. En als er iemand gesneuveld was moest je naar de begrafenis. Dat vond ik beroerd, maar ja, wat doe je daaraan?

Ik heb het echt goed getroffen. Ja god, ik moest wachten, maar dat moest ieder meisje op die leeftijd. Of niet dan? Zo zie ik het tenminste. Zo neem ik het ook. Ik heb heel veel steun van de familie gehad. Als er bij Henk in het dorp kermis was, ging ik met zijn zussen mee. Daarom zeggen ze nou nog: Wil is net een zuster van ons. Voordat Henk wegging, wilde ik eigenlijk niet kennismaken met zijn familie, omdat wij nog maar zo kort verkering hadden. Maar toen zei mijn broer: 'Dat moet je wel doen jôh, dat is gezellig, voor die mensen en voor jou ook. Je kunt er altijd een keer op terugvallen als Henk straks weg is.' En dat was waar ook. Ik ben er heel veel op teruggevallen. Ik ging om de week, soms weleens vaker. Als het drie weken duurde, belde mijn schoonmoeder op om te vragen waarom ik zondag niet geweest was. Maar ik werd niet in de gaten gehouden.

Ik heb ook helemaal geen praat gehad in het dorp. Ja één keer, één keer heb ik de naam gehad. Dat heb ik Henk gewoon geschreven, dat er jongens achter me aan liepen. Bij het dansen was er een keer een jongen, en die pakte me nogal stevig vast. Daar was ik helemaal niet van gediend. Want het ging mij om het dansen, en niet echt om altijd maar te vrijen en te doen. Ik liet me niet aflikken. Maar er waren meisjes genoeg die andere jongens hadden. Ik had een vriendin die ook een vriend in Indië had, zij was een beetje een flirt. Ik heb haar nou in veertig jaar niet gezien, dus dat mag ik gerust zeggen. Ze had bijvoorbeeld haar bloesje altijd openhangen. Toen heb ik tegen mijn moeder gezegd: 'Ik hou op met haar, want ik vind haar zo aanstellerig.' Zij flirtte met alles hè. Kijk, en daar hou ik niet van.

Na drie jaar kwam Henk terug. Hij werd met een bus thuisgebracht. We mochten hem niet afhalen, we mochten niks, we moesten gewoon afwachten. Ik vond het eng toen hij thuiskwam, dat je denkt, gôh, hoe zal hij eruit zien. Ja, dat is toch normaal, na drie jaar? Hij begon ineens in het hoog-hollands te praten. Dat had hij van die andere jongens geleerd.

Het was druk bij zijn thuiskomst. Ik wil zeggen, de buurtjes, zijn broers en zussen, de mijne. En drie dagen feest. Dat vond ik lang. Eerst met de familie, dan voor de buurt en dan voor de jonge mensen, dat had je hier in Brabant heel erg. De broer van Henk zei die eerste avond: 'Jij gaat naar buiten, met onze Henk, want jullie zijn nog helemaal niet alleen geweest.' Daar hadden we nog geen tijd voor gehad. Alleen een kusje toen ie thuiskwam, maar verder nog niet echt eens een keer lekker gesmoesd. Zo moet ik het toch zeggen hè? Nou, toen heb ik veel ingehaald. Die avond, en die tijd erna. Dan zei mijn moeder altijd: 'Wat staat die lang in het washuis.' Maar ja, ik had wat in te halen.

Achteraf denk ik weleens, hoe zou het gelopen zijn als hij niet weg had gemoeten? Want je moest echt weer aan elkaar wennen. Dat was voor ieder meiske zo. Zij zijn drie jaar weg, en wij drie jaar alleen, en dan komen ze thuis en dan zijn het mannen hè. En wij zijn, ja, vrouwen eigenlijk.''