Een moord voor 85 gulden en een jas

Zelfs de doorgewinterde rechercheurs die op 7 oktober 1994 in Rotterdam het appartement van de Ethiopieër Tesfaye Tulu betraden, deinsden ontzet terug. Tulu lag met doorgesneden keel in een walgingwekkend bloedbad. Intuïtief dachten de politiemensen in eerste instantie aan een gevecht dat in de hitte van het moment was ontspoord. Alsof iemand in blinde, uitgelokte razernij zichzelf te buiten was gegaan.

Maar nee.

Tasfaye Tulu was met voorbedachten rade vermoord, sterker nog: zijn moordenaar was nog maar zestien jaar.

Daar ziet hij ook naar uit, zoals hij vandaag - achter gesloten deuren - voor de Rotterdamse rechtbank terechtstaat. De constatering keert in alle rapporten terug: Leen Koringa heeft het innemende engelengezicht van een 12-jarige, hij kàn ook erg ontwapenend zijn, maar achter die buitenkant gaat soms een onthutsende gevoelloosheid schuil. Hij toonde na zijn arrestatie niet echt spijt, hij vond het vooral stom van zichzelf dat hij zich had laten pakken.

Leens moeder, een kleine vrouw, zit op de eerste rij. Hij zal haar bij het verlaten van de zaal een beetje meewarig toelachen, alsof hij wil zeggen: “Trek het je maar niet aan.” Sinds zijn arrestatie heeft hij - tot haar wanhoop - niet met haar willen praten. Misschien is dat zijn wraak. Zijn ouders hebben toch ook nooit aandacht voor hèm gehad?

Leens ouders waren Jehova's Getuigen en sleepten hem op hun evangelisatiewerk met zich mee langs de huizen. Zijn moeder was 36 jaar jonger dan zijn vader, het huwelijk was slecht. Toen Leen vijf jaar was, rezen er onbewezen vermoedens dat hij door zijn vader seksueel werd misbruikt.

Vanaf zijn vierde kwam Leen nu en dan in tehuizen voor moeilijk opvoedbare kinderen terecht. Op zijn tiende werd hij definitief ondergebracht in een jongensinternaat. “Een eenzame, verwaarloosde jongen”, noemden zijn begeleiders hem. Hij bracht er vier rustige jaren door - de gelukkigste van zijn leven. Maar hij kon maar niet begrijpen waarom zijn ouders hem waren afgenomen.

“Heb je nog steeds zo'n slecht contact met je moeder”, vraagt de voorzittende rechter, mevrouw mr. L. van Son.

“Het gaat iets beter”, zegt Leen.

“Je wilt eigenlijk een vaderfiguur?”

Hij knikt. De zomer vóór de moordpartij had hij nog bij zijn vader gelogeerd. Het was op niets uitgelopen. Zijn vader was te dominant en wilde nooit luisteren.

Op zijn veertiende verliet Leen het internaat. Hij vestigde zich in een kamertrainingscentrum in Rotterdam. Hij had de kans gekregen een opleiding te volgen bij een scheepvaartbedrijf. Reizen, varen - dat was het enige wat hij nog met zijn leven wilde.

In het wooncentrum kreeg hij vrienden - verkeerde vrienden. Zoals de nu 17-jarige Erwin Heugels, die vandaag ook terechtstaat, en de enkele jaren oudere Ethiopiër Haile Fichala. Haile was bevriend met een 30-jarige landgenoot, Tesfaye Tulu, die aan de Erasmus studeerde en in zijn appartement misschien wel een spaarcentje bewaarde.

Maar eerst oefenden de jongens op een Nederlander, een toevallige passant bij het joggen. Ze beroofden hem en sloegen hem in elkaar. Een maand later spraken ze af om Tulu te beroven en eventueel te vermoorden. Ze hadden geld nodig.

“Hadden jullie ook afgesproken hoe je hem zou vermoorden”, vraagt de rechter.

“Nee”, zegt Erwin.

“Maar Leen zou het doen?”

“Ja”, zegt Leen.

Tulu was die dag niet thuis, maar het was uitstel van executie voor hem. De volgende dag gingen Leen en Haile opnieuw naar de flat. Erwin kon niet mee, hij moest naar zijn moeder. Leen en Haile namen, zoals de vorige dag, een mes, mutsen en handschoenen mee. Ze bespraken in de bus de taakverdeling: Leen zou moorden, Haile de woning doorzoeken.

Vanaf de bushalte liep Haile fanatiek op Leen in te praten. “Je bent een zwakkeling als je niet meedoet.” Leen adoreerde Haile, het was een soort vervangende vader voor hem geworden. Voor de deur van het gebouw gaf Haile het mes aan Leen. Leen zou ermee toeslaan zodra Haile met zijn vingers knipte.

Tulu ontving de jongens vriendelijk. Hij zette thee voor ze. Na een kwartiertje knipte Haile met zijn vingers. Leen reageerde niet. Haile knipte weer. Leen bleef passief. Pas toen Haile voor de derde keer het teken gaf, stond Leen op om aan te vallen.

“Het had te maken met tweestrijd”, zegt Leen tegen de rechter.

“Wat gaf de doorslag?”

“Weet ik niet.”

Leen sprong Tulu in de rug. Hij stak hem verschillende malen in de keel, maar het mes brak af. “Geef een ander mes!” schreeuwde hij naar Haile. Die haalde in de keuken snel een mes en gaf het Leen. Daarop sneed Leen de halsslagaders van Tulu door. Tulu zakte ineen, het bloed was overal.

Toen Tulu rochelende geluiden bleef maken, ging Leen op zijn romp en hoofd staan om het einde te bespoedigen.

De rechter vraagt Leen of het zo allemaal inderdaad is gegaan.

“Ja”, zegt hij, “ik heb alleen niet om dat andere mes gevraagd, Haile ging het uit zichzelf halen. Hij zei: 'Je moet zágen.' Dat heb ik gedaan.”

Toen Tulu dood was, wasten de jongens hun handen, trokken handschoenen aan en doorzochten de flat. Ze vonden alleen een portemonnee met 85 gulden. Die namen ze mee, samen met een jas.

“Begrijp je achteraf waarom je dit gedaan hebt”, vraagt de rechter.

“Nee.”

“Ging het om geld of om flink te zijn?”

“Nee, om geld.”

“Vonden jullie allebei dat hij dood moest?”

“Ja. Ik had geen echte reden.”

Al in het internaat was opgevallen hoe gemakkelijk Leen woedend kon worden. Natuurlijk had hij op 14-jarige leeftijd nooit zelfstandig mogen gaan wonen. Hetzelfde geldt voor Erwin, ook zo'n jongen met een verleden vol kindertehuizen. Erwin zegt tegen de rechters: “Ja, ik heb veel wantrouwen tegen mensen, daar is toch niks mis mee?”

Haile zal een andere keer terechtstaan, hij is al meerderjarig. Op Leen en Erwin kan nog het strafrecht voor minderjarigen worden toegepast. (Alleen in de ernstigste gevallen worden minderjarigen als meerderjarigen berecht.) De officier van justitie, mevrouw mr. A. Zwaneveld, vraagt opname in een tehuis voor buitengewone behandeling, een soort tbs voor jongeren. De advocaat van Leen, mr. R. Duttenhofer, kan zich daarin wel vinden. “Hier moet sprake zijn van een gestoorde persoonlijkheid”, zegt hij.

Een van de rechters vraagt Leen hoe hij aan zichzelf wil werken.

“Ik moet goed contacten leren leggen”, zegt hij. “Ik moet leren denken met het gevoel.”

(Het vonnis, twee weken later: voor Leen Koringa: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden plus tbs met dwangverpleging. Hij wordt daarmee toch - zwaarder dan geëist - als meerderjarige gestraft. Voor Erwin Heugels: plaatsing in een tehuis voor buitengewone behandeling.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.