50-jarig RIOD blijft vraagbaak voor informatie

DEN HAAG, 25 APRIL. Een vraagbaak voor informatie. Medewerkers die altijd klaar staan. En een constante stroom van wetenschappelijke publikaties met als hoogtepunt Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. “In zijn 50-jarig bestaan heeft het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) een vruchtbare verbinding gelegd tussen dienstverlening en de openbaarmaking van onderzoek”, aldus de Leidse hoogleraar dr. J. Bank vanmiddag in zijn toespraak ter gelegenheid van het tiende lustrum van het RIOD. Morgen begint, onder auspiciën van het RIOD, in Amsterdam een driedaags congres over de verwerking van de Tweede Wereldoorlog in internationaal vergelijkend perspectief.

Bank stond in zijn toespraak stil bij de begin jaren van het instituut die werden gekenmerkt door een schier onbedwingbare verzamelwoede. Archieven, dagboeken van Nederlandse burgers, illegaal verspreide pamfletten: veel vond zijn weg naar het RIOD. “De vroege verzameling van documenten wierp dadelijk haar vruchten af in de dienstverlening van het Instituut aan de bijzondere rechtpleging in Nederland en aan een vertraagde vervolging van oorlogsmisdadigers in Duitsland en Oostenrijk”, zo zei hij.

Overlevenden gingen er na de oorlog te rade in een poging het peilloze verdriet te verwerken. Verwanten van nationaal-socialisten die zich een beeld wilden schetsen van hun familieleden. Tot op de dag van vandaag dient het RIOD als vraagbaak, zoals de medewerkers vooral de laatste maanden hebben ervaren. Vooral bij de bibliothecaris, drs. D. van Galen Last, stond de telefoon niet stil. Elk dorp, elk gehucht, elke stad wilde zo ongeveer van hem weten wanneer en door welk legeronderdeel het was bevrijd. Voorzien van die kennis is overal in den lande de viering van de '50ste mei' voorbereid.

De herwaardering van de vijfde mei is volgens Bank opmerkelijk omdat de dodenherdenking gedurende de afgelopen decennia “een vaster bestanddeel is geworden dan het bevrijdingsfeest van de volgende dag.” Hij stond in zijn toespraak kort stil bij de 'geschiedenis van 5 mei' die werd gekenmerkt door de vraag of het werkende deel van de bevolking die dag wel of niet vrij zou moeten krijgen. In 1954 werd het bevrijdingsfeest gereduceerd tot een persoonlijke 'nationale snipperdag' omdat, aldus Bank “de staat niet langer bereid bleek bevrijdingsdag elk jaar als vrije dag aan te merken.” De 5e mei werd vanaf 1980 weer een jaarlijkse en algemene 'nationale snipperdag' en vanaf 1990 'nationale feestdag.”

Volgens Bank is de herwaardering van bevrijdingsdag ook daarom zo opmerkelijk “omdat ze een nationaal herdenkingsfeest vertegenwoordigt en dus, onbedoeld, ook als een contrapunt kan worden gehoord ten opzichte van de recentelijk uitgesproken en neergeschreven betogen over het einde of de afloop van de natie-staat.”