Recept voor een Nederlandse BBC

Voor paspoorten en scheepswerven zijn ministers naar huis gestuurd, maar als het om omroepen gaat mogen bewindslieden eindeloos doorknoeien. Toch is de chaos in Hilversum volgens Erik Jurgens makkelijk door 'Den Haag' te verhelpen: Geef één zendmachtiging aan één nationaal stelsel, en laat de huidige omroepen daarbinnen opereren. Hèt recept voor een Nederlandse BBC.

Wie de goden willen verderven, die slaan zij eerst met blindheid. Met de Hilversumse omroeporganisaties is dat sinds begin jaren tachtig duidelijk het geval. Driemaal hebben zij - en de politieke machten die hun de hand boven het hoofd hielden - geweigerd veranderingen in hun Umwelt onder ogen te zien. Driemaal in anderhalf decennium is hun blindheid door de feitelijke ontwikkelingen afgestraft.

Begin jaren tachtig werd duidelijk voor wie dat wilde zien dat het kabelnet dat over heel Nederland op kosten van de aangeslotenen was aangelegd (met België hadden we toen de grootste kabeldichtheid ter wereld) een willige prooi zou worden van commerciële programma's die niet via aardse zenders maar via nieuw te lanceren omroepsatellieten zouden worden uitgezonden. De omroep nam geen verdedigende maatregelen, anders dan een beroep op de wetgever om dit te verbieden. Een komische noot: de regering onthield na een spoeddebat in de Kamer de slotbekrachtiging aan een wetswijziging uit 1978, toen bleek dat een kabelexploitant aankondigde om op grond daarvan commerciële programma's van de Belgische kabel over te willen nemen om ze in Nederland door te geven ('het gat van Sluis'). Het ging met name om het Nederlandstalige programma dat RTL via een aardse zender op België richtte.

Medio jaren tachtig werd duidelijk dat de Europese autoriteiten in Brussel van mening waren dat het grensoverschrijdend aanbieden van reclameboodschappen via radio en televisie viel onder de vrijheid van dienstverlening zoals het EG-verdrag die al sinds 1957 formuleerde. In april 1987 verving een nieuwe Mediawet de Omroepwet 1968. Die Mediawet hield echter, mede op aandrang van de omroeporganisaties behalve de VPRO, geen rekening met de komende ontwikkelingen (dat was reden voor mij om in 1985 geen nieuwe termijn als NOS-voorzitter te ambiëren).

Hoe had de Mediawet dat moeten doen? Bijvoorbeeld door samenwerking binnen de omroep krachtig te versterken en door zelf een commerciële tv-zender te gaan exploiteren om de komende concurrentie voor te zijn, zoals een VPRO-commissie onder leiding van Van Doorn (omroepminister 1973-1977) al in 1981 had voorgesteld. In april 1988 besliste het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inderdaad dat nationale regelgeving de doorgifte van buitenlandse reclameboodschappen (en dus de daarbij behorende programma's) niet mocht beletten. Dat is immers een ongeoorloofde bevoordeling van onze STER boven buitenlandse reclameaanbieders.

Inmiddels is de Mediawet aangepast en hebben we al twee via een satelliet op Nederland gerichte tv-programma's van RTL op onze kabel, die meer dan vijftig procent van de reclame-inkomsten weten aan te trekken, plus diverse radiozenders. Honderden miljoenen per jaar vloeien af naar het buitenland die in Nederland hadden kunnen blijven. Het publieke omroepbestel schudt op zijn grondvesten. Maar er wordt geen enquête ingesteld naar het gebrek aan visie en beleid, in Hilversum én in Den Haag, dat dit veroorzaakte. Voor veel minder geld, toen het om scheepswerven of paspoorten ging, zijn er wel ministers naar huis gestuurd.

Begin jaren negentig werd duidelijk dat de versplinterde Nederlandse omroep absoluut niet was opgewassen tegen het inmiddels gegroeide commerciële geweld van buiten. De Mediawet had de zaak zelfs verergerd door de NOS als orgaan van samenwerking bestuurlijk te verzwakken. Maar geluiden die riepen om eendracht werden niet gehoord. In 1990 had minister D'Ancona een heuse 'interim-manager' als NOS-voorzitter aangetrokken om eenheid te smeden. Maar ook hij stuitte op taaie weerstand. Zijn voorganger als voorzitter had zijn openbaar ambt in de steek gelaten om, naar hij zei vanwege het hogere salaris, een concurrerende omroep - de VOO - commercieel te gaan maken.

Eind 1994 vond de druk van buitenaf haar apotheose in de mislukte poging om VOO/Endemol uit de klauwen van de RTL te houden ('strategische alliantie' heette die samenwerking). VOO kan nu met ten minste honderd miljoen die zij van het leveren van een publieke dienst heeft weten over te houden (!) vanaf komende herfst deze publieke dienst beconcurreren. Wie verbaast zich nog ergens over?

Ziedaar drie tijdvakken van vijf jaar waarin de omroep - en politiek Den Haag! - blind bleef voor de dreiging. Pas de laatste paar jaar ontstaat, onder druk van de wetgever, een samenwerking per tv-net (op de radio blijft het een puinhoop). Een voorbeeld van 'te weinig, te laat'. Waarom toch die blindheid? De oorzaak ligt in het feit dat wij zeventig jaar geleden een pluriform (beter gezegd: pluraal) bestel hebben gebouwd door met 'zuilen' verbonden omroeporganisaties ieder een eigen zendmachtiging te geven. Deze worden sinds 1968 geacht om, tezamen met de NOS, een publieke dienst aan kijkers en luisteraars te bieden. Zekerheid dat er aldus een samenhangende publieke dienst wordt geboden (en niet datgene wat elk van die omroeporganisaties voor zichzelf daaronder verstaat) hebben we niet. Een publiek debat over wat zo'n publieke dienst eigenlijk moet bieden ontbreekt. En zou dat al worden gevoerd en tot een uitkomst leiden, de omroep kent geen bestuurlijke eenheid om deze af te dwingen, zelfs niet als het er slechts om gaat om sterk te staan tegenover de commerciële concurrentie.

Dat debat is in 1945/6 wél even gevoerd, toen ministers als Schermerhorn en Van der Leeuw zich uitspraken voor een nationale omroep. Arie Kleijwegt beschrijft in NRC Handelsblad van 22 februari met gevoel hoe dat debat door de oude omroeporganisaties (behalve de VPRO) en door hun politieke zuilen in de kiem is gesmoord.

De overheid moet zich niet bemoeien met de inhoud van programma's. Zij geeft zendmachtigingen af voor de aardse zenders en geeft er geld bij. Zij mag slechts voorwaarden stellen aan het geheel van de programmering. Dat maakt de huidige omroeporganisaties onaantastbaar. Willen ze niet programmatisch samenwerken (dat kan al lang binnen de NOS op basis van vrijwilligheid, zelfs onder de oude Omroepwet), dan beroepen zij zich op de autonomie die hun zendmachtiging hun geeft. Op zichzelf met recht, daarvoor is die aparte machtiging ook gegeven.

De oplossing is dus: geef slechts één enkele zendmachtiging af, en wel aan een Nationaal Omroep Stelsel (een nieuwe NOS). Laat de omroepverenigingen bestaan, maar geef ze binnen dat stelsel ruimte om hun programma's te maken en uit te zenden. Nu zendt de NPS (vroeger NOS) programma's uit die “bij uitstek geschikt” worden geacht voor de gezamenlijkheid. Draai dat om: laat omroepverenigingen programma's uitzenden die voor hun profiel “bij uitstek geschikt” zijn. En doe de rest samen binnen de nieuwe NOS, die gebruik kan maken van de vele toegewijde omroepmedewerkers die nu de programma's maken. Geef die nieuwe NOS een sterk bestuur, dat bij meerderheid kan beslissen. Formuleer garanties, financieel en qua zendtijd, voor de geprofileerde programma's. Treed als nieuwe NOS naar buiten eensgezind op tegenover tv-producenten en houders van sportrechten. Investeer in meer Nederlands drama en documentaire, in journalistieke informatievoorziening en goed amusement. Maak een goed uitgekiende verdeling van programma's naar zender en tijdstip. En vooral ook: laat dat nationale stelsel ook bij de mensen door zijn kwaliteit en gezag aan het gevoel beantwoorden “die is van ons, blijf er van af”, zoals bij de Britten de BBC leeft.

En hou op met het bestuurlijk gekissebis in Hilversum en Den Haag over de omroep. Het heeft al geleid tot een zo grote onverschilligheid bij de mensen (en zelfs bij de meeste politici), dat het draagvlak voor de heffing van omroepbijdragen - ruggegraat van omroep als publieke dienst - dreigt weg te vallen.

Maar één tv- c.q. radiozendmachtiging, toe te kennen aan het Nationaal Omroep Bestel; behoud van de eigenheid van de huidige omroepen (al zal het monopolie op programmagegevens het, zoals Kuitenbrouwer terecht schreef in NRC Handelsblad op 13 april, om juridische redenen niet lang meer houden); in Hilversum eendracht, daadkracht en creativiteit gericht op een echte publieke dienst; gevoel van betrokkenheid van de mensen bij hun nationale omroepstelsel: de voorwaarden daarvoor kunnen binnen een jaar geregeld zijn. Als de omroepen en de politiek verantwoordelijken maar willen.

Of slaan de goden met blijvende blindheid?