Pollini is meesterlijk in ongespeelde noten

Concert: Maurizio Pollini (piano). Programma: R. Schumann, Allegro in b kl.t. op. 8 en Fantasie in C gr.t. op 17, F. Chopin: Nocturnes op. 27, nr. 1 en 2, Sonate nr. 2 in bes kl.t. op. 35. Gehoord: 23/4 Concertgebouw, Amsterdam.

Als weinig andere grote pianisten heeft Maurizio Pollini zich beziggehouden met eigentijdse muziek. Naast het complete oeuvre van Schönberg speelt hij Berg, Nono, Boulez en Stockhausen. Het programma van zijn recital in de Serie Meesterpianisten zondagavond in het Amsterdamse Concertgebouw stond echter helemaal in het teken van twee reuzen van de romantische pianoliteratuur: Schumann en Chopin. Van het combineren van stijlperiodes zoals Krystian Zimerman enkele weken geleden deed, was geen sprake.

Enerzijds was dat jammer, want zo'n programmatisch allegaartje levert interessante doorkijkjes en dwarsverbanden op. Maar ook een uitsluitend romantische Pollini maakte nieuwsgierig. Zijn kracht ligt immers in het hoorbaar maken van de architectuur van een compositie; zelden laat hij zich meeslepen door de emoties van het moment. Hoe zou deze precieze, analytische stijl zich verhouden tot de vluchtige wereld van de Fantasie in C en de dromerige achtste Nocturne?

In het Allegro opus 8, door Schumann bedoeld als eerste deel van een nooit voltooide sonate, trok Pollini met een scherp omlijnde toon lange bogen. Een frase of een motief staan bij hem zelden op zichzelf, maar ontlenen hun expressieve kracht aan iets wat nog gaat komen. Pollini is een meester in het suggereren van nog ongespeelde noten. Het contrast tussen de rapsodische vorm van Schumanns Fantasie in C en Pollini's pogingen de muzikale noodzaak van het grillige materiaal te doorgronden, gaf aan zijn uitvoering een wonderlijke, maar mooie spanning. Even werd die doorbroken toen er na het eerste deel applaus klonk, wat de meesterpianist vertwijfeld naar zijn hoofd deed grijpen.

Pollini's band met Chopin gaat terug tot de legendarische uitvoering van het Eerste pianoconcert waarmee hij in 1960 het Chopin Concours in Warschau won. Helemaal slijtvast bleek de relatie niet te zijn. Pollini had te weinig rust om de melodieën van de twee Nocturnes opus 27 echt te laten zingen, hoe mooi het harmonisch strijklicht van de begeleidende gebroken akkoorden ook klonk. Ook in de eerste twee delen van de Sonate in bes stond de gejaagde energie die in Schumann zo op zijn plaats was een doorzichtig klankbeeld in de weg. In de treurmars had het breekbare lyrische middendeel meer kracht dan het sombere gebeier van de doodsklokken.

Eigenlijk pas in zijn twee toegiften - de eerste Etude van opus 25 en het derde Scherzo - maakte Pollini echt duidelijk hoezeer hij vergroeid is met de taal van Chopin. Zo zullen de hoge omspelingsnootjes van de melodie in het Scherzo zelden zo prachtig achteloos en tegelijk trefzeker uit de toetsen zijn geveegd.