Kamerlid Dees legt in Turkije Nederlands standpunt uit; 'Kou is enigszins uit de lucht'

ANKARA, 24 APRIL. “Welkom, mister speaker. Welkom in een land dat volkomen vreemd is voor de Nederlanders, die het bovendien niet kan schelen dat hier op grote schaal baby's, kinderen, mannen en oudere vrouwen door terroristen worden vermoord. Nogmaals, welkom.”

De interviewer van het Turkse parlementaire televisiekanaal windt er in houterig maar direct engels geen doekjes om. Dick Dees, de onder-voorzitter van de Nederlandse Tweede Kamer, is weliswaar uitgenodigd om de plechtige viering, dit weekeinde in Ankara, mee te maken van de oprichting 75 jaar geleden van het Turkse parlement, maar het blijft tegelijkertijd onaanvaardbaar voor Turkije dat Nederland het Koerdische parlement in ballingschap in de gelegenheid heeft gesteld om zich op 12 april in Den Haag op te richten. Een platform dat in hun ogen een façade is van de separatische Koerdische Arbeiders Partij (PKK) om zich politiek te kunnen manifesteren in Europa.

“De emoties over en de angst voor terrorisme leven hier veel sterker dan ik had verwacht”, vatte Dees, gisteravond op de officiële receptie in het Turkse parlement, zijn indrukken samen. “Het is een gevoel dat in Nederland wordt onderschat.” Veel tijd om zich om zich over te geven aan de buffetten met Turkse gerechten en zoetigheden is er niet. Alhoewel de vice-voorzitter van het Nederlandse parlement zich de afgelopen twee dagen in Ankara van lunch naar receptie en diner heeft gerept, heeft hij vooral gepraat. De Turken zijn vertwijfeld en gekwetst: “Dat na ruim 400 jaar van diplomatieke relaties tussen Nederland en Turkije nu uitgesproken deze bondgenoot Ankara in de rug moest aanvallen door de Koerdische separatisten te steunen.”

“Maar dat is niet waar”, was dan steeds het argument van Dees. “Nederland steunt het Koerdische parlement in ballingschap niet en we zien de PKK wel degelijk als een terreurorganisatie, maar de wet bood ons geen handvatten om de oprichtingsvergadering te verbieden.” Op de gezichten van zijn Turkse gesprekspartners, of dat nu parlementariërs, diplomaten, journalisten, de voorzitter van het parlement, de minister van buitenlandse zaken of de vice-premier zijn, valt vervolgens onbegrip te lezen. Wat is dat voor een land dat een terreurorganisatie de mogelijkheid biedt om van zijn democratische vrijheden gebruik te maken om zo de nationale eenheid van een ander land, in dit geval Turkije, te ondermijnen? “Als iemand over een mes of een revolver beschikt”, meent de minister van buitenlandse zaken, Erdal Inüon, “dan wacht je toch ook niet tot de persoon gaat steken of schieten. Je neemt preventieve maatregelen. Dat hadden we ook van Nederland verwacht”.

Inüon wenst niet te antwoorden op de netelige vraag wat voor vergeldingsmaatregelen Turkije voor Nederland in petto heeft als het diplomatieke conflict niet kan worden bijgelegd. “We zullen ons dan opnieuw moeten beraden”, aldus de sociaal-democratische bewindsman. Vice-premier en de leider van de Republikeinse Volkspartij (CHP), Hikmet Çetin, heeft een bijzonder plekje voor Nederland in zijn hart. In de begindagen van zijn politieke loopbaan bracht hij vier maanden onder de hoede van wijlen de econoom Jan Tinbergen door op het Planbureau. “Nederland zou moeten beginnen met de activiteiten van het Koerdische parlement in ballingschap te verbieden”, meent hij hoopvol. “Dan ontstaat er een sfeer waarin weer kan worden gepraat.” De Turkse ambasadeur in Nederland, Zeki Çelikkol, die op 14 april uit Den Haag is teruggeroepen, lijkt minder optimistisch. Hij maakt zich op voor een bezoek aan Antalya, de Turkse Middellandse Zeekust, nu zijn ministerie van buitenlandse zaken geen haast schijnt te hebben hem naar Nederland terug te sturen.

Toch heeft Dees het gevoel dat door de gesprekken die hij de afgelopen dagen heeft gevoerd met parlementariërs, diplomaten en politici, de “kou in de relatie met Turkije enigszins uit de lucht is genomen en de basis is gelegd voor een bezoek op termijn van minister van buitenlandse zaken, Van Mierlo, aan Turkije”. Hij refereert daarbij met name aan de ontmoeting zaterdag met zijn gastheer, de voorzitter van het Turkse parlement, Hüsamettin Cindoruk. Deze had in zijn overladen programma een kwartiertje vrijgemaakt voor Dees. Maar het werd bijna een uur, waarin “openhartig, kritisch en intensief met elkaar is gepraat”, aldus Dees. Cindoruk verweet Nederland dat het zijn internationale verplichting heeft verzaakt om terrorisme te bestrijden. Hij had weliswaar begrip voor het feit dat de vrijheid van vergadering in Nederland een groot goed is, maar - en toen kwam het argument dat iedereen in Turkije in de mond bestorven ligt: Door de oprichting van het Koerdische parlement in ballingschap niet te verbieden, ondersteunt Nederland de Koerdische terreur. In een ontmoeting met de pers zaterdagmiddag drukt Cindoruk zich explicieter uit. “Er is maar een uitweg uit de crisis: Nederland moet de PKK verbieden, net als Duitsland en gedeeltelijk ook Frankrijk hebben gedaan.”

Na de officiële zitting zondagmiddag ter gelegenheid van het 75 jarig bestaan van het Turkse parlement moet Dees er, in de ontmoeting van de internationale genodigden met premier Tansu Çiller, opnieuw aan geloven. Haar emotionele en populistische voordracht gaat vrijwel geheel over de noodzaak van de bestrijding van terreur om zo de democratie te beschermen en te bevorderen. “Een onderwerp dat de nationale grenzen overschrijdt”, zo voegt er er fijntjes aan toe. Pas in de avond, op de receptie, krijgt Dees, daartoe aangezet door de Nederlandse televisie, de gelegenheid zich aan mevrouw Çiller voor te stellen. In het rumoer valt moeilijk op te maken wat haar boodschap aan Nederland precies is, maar ze is, met haar bevroren glimlach en gestoken in een gebroken wit colbert, de situatie duidelijk de baas. “Pas maar op dat je de terroristen niet in huis haalt”, werpt ze de liberaal Dees speels toe voordat ze zich uit de voeten maakt.

De enige ontmoeting waar de kwestie van terreur minder prominent aan de orde komt, is tijdens de ontvangst in het presidentiële paleis. Maar de voormalige directeur van het secretariaat voor defensie-industrie, Vahit Erdam, die nu de tweede-secretaris is van president Süleyman Demirel, zegt desgevraagd dat het hem niet verwondert dat inmiddels is besloten om de Nederlandse ondernemingen uit protest geen defensie-orders meer toe te kennen. “De regering hoopt nog op een diplomatieke oplossing voor de crisis, maar de woede is zo groot dat de boycot zich wel zal uitbreiden tot alle Turkse staatsaanbestedingen.” Erdem: “Een algemeen economisch embargo hangt af van de opstelling van de Turkse ondernemers en het Turkse publiek. Maar mocht Nederland niet op zijn schreden terugkeren en de PKK aan banden leggen, dan zal het Turkse publiek zich onvermijdelijk massaal tegen Nederland keren.”