JOHAN GISKES OVER Nederlandse violen

Het Amsterdams Strijkershuis, Prinsengracht 583, is geopend op vrijdag en zaterdag. Informatie: 020-6223849 of 04162-3053.

“Nederland heeft een rijke vioolbouwtraditie die begon in de zeventiende eeuw. Amsterdam was toen een mondiaal handelscentrum en de rijke kooplieden hielden van kunst. De violen die ze lieten maken door Amsterdamse bouwers als Cornelis Kleynman, Hendrick Jacobs, Willem van der Sijden en Pieter Rombouts zijn nog steeds in trek. Typisch Nederlands was het gebruik van walvisbalein voor de inleg, de uiterste rand van boven- en achterblad.”

Johan Giskes specialiseerde zich in de geschiedenis van de Nederlandse vioolbouw. Hij werkt als muziekhistoricus bij het Gemeentearchief in Amsterdam. Daarvoor was Giskes altviolist in het Koninklijk Concertgebouworkest, maar werd afgekeurd vanwege een allergie voor de hars waarmee strijkstokken worden ingewreven. Donderdag zal hij Het Amsterdams Strijkershuis openen, een galerie waar vier viool- en cellobouwers hun nieuwgebouwde instrumenten aanbieden. De initiatiefnemers hopen het vooroordeel te ontzenuwen dat een oude viool of cello beter zou zijn dan een ambachtelijk vervaardigd nieuwbouwinstrument.

Giskes: “Het leuke van de vioolbouwgeschiedenis is, dat er een heel muziekleven achter de instrumenten schuil gaat. Zo valt de tweede bloeiperiode in de vioolbouw, vanaf 1750, te verklaren uit de belangstelling die het stadhouderlijk hof in Den Haag toonde voor muziek. Anna van Hannover was een leerling van Händel en ook Wilhelmina van Pruisen, de vrouw van Willem V, musiceerde graag. De zalen en de orkesten werden groter, waardoor men behoefte kreeg aan instrumenten met een sterkere toon. Je ziet duidelijke verschillen met instrumenten uit de zeventiende eeuw: ze zijn robuuster en de lak is harder, niet meer roodbruin, maar geel.

“Het einde van de negentiende eeuw geeft weer een opleving van de vioolbouw in Amsterdam te zien, ditmaal als gevolg van de professionalisering van het muziekleven. Daarvan getuigen de bouw van het Concertgebouw en de oprichting van het Concertgebouworkest. Een violist uit het orkest, Karel van der Meer, vestigde zich in de Leidsestraat als vioolbouwer. Hij haalde getalenteerde jonge bouwers naar Nederland, onder wie Paul Max Möller, de eerste van drie generaties beroemde Amsterdamse bouwers.

“De Möllers hebben prachtige alten gebouwd. Bij het Concertgebouworkest hebben de donkerrode Möller-alten jarenlang de klank van de altsectie gekleurd. Het zijn instrumenten met een zware, sonore klank. Je kunt overigens niet zeggen dat Nederlandse violen een 'Nederlands' geluid hebben. Net als bij de mens heeft elk instrument een eigen karakter. Er zijn wel familietrekken. In werk van Hendrick Jacobs, een Amsterdamse bouwer uit de zeventiende eeuw, kun je hand van zijn stiefzoon Pieter Rombouts herkennen. Die is veel krachtiger. De lak is gedurfd dik opgebracht.

“Uit de Nederlandse vioolbouwtraditie valt af te leiden dat het 'zwarte gat' tussen Sweelinck en Diepenbrock onzin is. Een componist als Pietro Locatelli vestigde zich niet voor niets in ons land. Muziek van Vivaldi werd hier soms eerder uitgegeven dan in Italië. De prachtige violen uit de zeventiende en achttiende eeuw konden alleen gemaakt worden in de culturele smeltkroes die Amsterdam toen was.”