'Japanners vonden het prachtig om getekend te worden'

Toen de Japanners in december 1941 Pearl Harbour aanvielen en zo de oorlog in de Pacific begonnen, was de Nederlandse zeeman Romke de Vries werktuigkundige op het koopvaardijschip Op ten Noort (6076 ton). Hij hield van het schip. Maar de liefde duurde niet lang, want de Op ten Noort werd door de Koninklijke Marine in Nederlandsch-Indië vrijwel onmiddellijk gevorderd om tot hospitaalschip te worden omgebouwd en De Vries werd direct als onderofficier bij de krijgsmacht ingelijfd.

Na de Slag in de Javazee en de Nederlandse capitulatie voor Japan op 8 maart 1942 raakte De Vries in gevangenschap. Ruim drie jaar bracht hij in krijgsgevangenenkampen door. Het beroerdst trof hij het in een kamp bij Soerabaja en het best in Singapore. “Daar zat ik in een krijgsgevangenenkamp aan zee en aan het strand, dat niet door Japanners maar door overgelopen Sikhs werd bewaakt. Daar had ik de rest van de oorlog wel willen blijven.”

Die wens werd niet vervuld. Nog hetzelfde jaar (1942) werd De Vries met andere Nederlandse 'prisoners of war' naar Japan overgebracht. “Bij aankomst in Nagasaki sneeuwde het”, herinnert de nu tachtigjarige De Vries zich. “Gelukkig had ik in Singapore een lange, dikke jas op de kop weten te tikken. Die is me goed van pas gekomen. Het kamp waar we terecht kwamen was nieuw en zag er schoon uit. We hoorden dat het een plezieroord van rijke Japanners hoog in de bergen was geweest, maar het klimaat was er vreselijk. Voortdurend gingen er mannen dood aan longontsteking.”

Van de woonsituatie van de groep krijgsgevangenen waartoe hij behoorde, heeft Romke de Vries een aantal pentekeningen gemaakt. Enkele daarvan zijn te zien op de tentoonstelling 'Getekend: Nederlanders in Japanse kampen', die tot 3 september in het Haagse Museon (Stadhouderslaan 41 - naast het Gemeentemuseum) wordt gehouden. “Aan materiaal had ik nooit gebrek” zegt De Vries. “Dat kreeg ik van de Japanners, want die vonden het prachtig om getekend te worden”.

In het kamp bij Kobe waar De Vries werd ondergebracht, zaten ook veel Australische, Amerikaanse en Engelse krijgsgevangenen. “We moesten allemaal keihard werken want er was een no work, no food-regime. Ontsnappen was niet mogelijk. Voor mijn werk kwam ik bij de Kawasaki-scheepswerf. Daar heb ik moeten meewerken aan de bouw van tankers, onderzeeboten en vliegdekschepen. Dat ging allemaal wel, het was er heel dragelijk totdat in 1945 die intensieve Amerikaanse bombardementen op Japan begonnen. Toen zijn we overgeplaatst naar een ander kamp. Een pakhuis in het zakencentrum van Kobe.”

De geallieerden stonden in de periode april-mei 1945 vlak voor Japan. Op 1 april was er een gigantisch offensief begonnen tegen het Japanse eiland Okinawa, circa zeshonderd kilometer ten zuiden van Tokio. Op eerste paasdag waren daar zeven Amerikaanse mariniersdivisies aan land gegaan, ondersteund door een geweldige vloot waartoe ook de Nederlandse koopvaardijschepen de Tjisadane (9228 ton) en de Kota Inten (7206 ton) behoorden. De strijd was uiterst moeilijk. Pas na bijna twee maanden werd het eerste geallieerde gat in de Japanse verdediging geslagen. Tien dagen later begaf die verdediging het. Okinawa was de grootste en bloedigste operatie in de oorlog in het Stille Oceaan-gebied. De geallieerden verloren er ruim twaalfduizend man en telden zevenendertigduizend gewonden. Aan Japanse kant waren de verliezen nog groter: honderdzevenduizend doden en talrijke krijgsgevangenen.

Nog veel gruwelijker voor de Japanse bevolking waren de uitgebreide Amerikaanse bombardementen in het voorjaar en de zomer van 1945. Dag in dag uit werd Japan door de zware B29-bommenwerpers bestookt. Stadscentrum na stadscentrum ging in vlammen op. In de nacht van 9 op 10 maart werd Tokio zwaar geteisterd. Er ontstonden 'vuurstormen' en in een nacht stierven tachtigduizend inwoners van de Japanse hoofdstad de verbrandingsdood. Door de onafgebroken luchtaanvallen waren in juni 1945 tweeënhalf miljoen huizen verwoest en vluchtten meer dan dertien miljoen stedelingen naar het platteland. Doordat Japan in 1945 ook werd getroffen door zware aardbevingen en overstromingen, werd drietiende van de bevolking dakloos. Zo zwaar hadden de geallieerden Duitsland nooit aangepakt.

Ook het krijgsgevangenenkamp waar Romke de Vries zat lag in de vuurlinie van de bombardementen. “We zijn niet direct getroffen” zegt hij, “maar we hebben de branden en de vuurorkanen wel op korte afstand gezien. Ik herinner me heel goed het luchtalarm als de bommenwerpers eraan kwamen. Lange duurtonen als ze nog betrekkelijk veraf waren en korte stoten als ze al boven je hoofd zaten. Wat een herrie! In het gebied van ons laatste kamp, Waki Nohama tussen Kobe en Osaka, was vrijwel alles al gebombardeerd toen wij er kwamen. Alles lag plat. Ook steden als Hirosjima en Nagasaki lagen al grotendeels in puin.”

Op de vraag of men daaruit mag concluderen dat de atoombombardementen op die steden in augustus 1945 overbodig zijn geweest, kijkt De Vries voor zich uit. Alsof hij wil zeggen dat zijn toehoorder zelf maar tot een conclusie moet zien te komen.