'Ik denk dat God het zo heeft voorbestemd'

Ir. Johan Alvarez Manusama was het symbool van de droom van de Vrije en Onafhankelijke Republiek der Zuidmolukken (RMS). Morgen is het precies vijfenveertig jaar geleden dat onder zijn leiding de onafhankelijkheid van de RMS op het eiland Ambon werd geproclameerd. Een HBS-leraar die 'president in ballingschap' werd van een Republiek die door niemand erkend werd.

“Daar zat ik opeens tussen al die Molukkers, en ik voelde me helemaal niet thuis. Ik verstond hun taal niet - ik sprak niet eens Maleis - en als ze dan een mop vertelden in het Ambon-Maleis lachte ik zo'n beetje mee. Ik wist echt niet waarom ik lachte.”

Flinterdun, kaarsrecht en nog volstrekt helder zit hij op de bank. Zijn knieën tegen elkaar gedrukt, de hoge lach als van een piepend vogeltje. “Ik denk dat Onze Lieve Heer gewild heeft dat het voor mij zo is gelopen.”

Een half leven lang is Ir. Johan Alvarez Manusama het symbool geweest van de droom van de Vrije en Onafhankelijke Republiek der Zuidmolukken (RMS). Morgen is het precies vijfenveertig jaar geleden dat onder zijn leiding de onafhankelijkheid van de RMS op het eiland Ambon werd geproclameerd. Het Indonesische leger greep onmiddelijk in. Manusama vluchtte, en kwam uiteindelijk in Nederland waar hij meer dan dertig jaar de 'president in ballingschap' is geweest van een Republiek die door geen enkel land ter wereld is erkend.

Toch hield hij onder de gemeenschap van gedemobiliseerde Molukse KNIL-soldaten in Nederland al die tijd de hoop hoog van de terugkeer naar een 'vrije Molukken'. Na zijn aftreden in 1993 werd hij door de gemeenschap nog steeds beschouwd als de 'Juliana van de RMS'. Dita Vermeulen, voorzitter van het Moluks Museum in Utrecht herinnert zich nog goed hoe ze hem als jong meisje op de jaarlijkse 25 april-herdenkingen zag: “Een soort koning, een Hoogheid waar je niet te dichtbij mocht komen. Onderling sprak je ook nooit over Manusama, maar eerbiedig over Zijne Exellentie of De President.”

Puffend beklimt de 84-jarige 'president' de drie smalle trappen. “Ach,” had hij gezegd “het komt u toch beter uit als ik bij ú langskom.” Genietend nipt hij van zijn beker koffie. Eerst spreekt hij over Egon Schiele en klassieke muziek. Dan steekt hij van wal. Niet over het ideaal van de RMS, niet over het 'verraad' van Nederland aan de Molukse zaak, maar over zichzelf. “Pas op 37-jarige leeftijd betrad ik voor het eerst de Molukken. Merkwaardig niet?”

Tastend naar woorden spreekt de oude man over de identiteitscrisis die hem eigenlijk al zijn leven lang achtervolgt. “Ik ben op Borneo geboren. De Molukken kende ik niet, en Ambonezen al helemaal niet. Ik heb een westerse opvoeding gehad, sprak thuis Nederlands en was leraar op een Nederlandse HBS. Welbeschouwd zat ik met het probleem: wie ben ik eigenlijk?”

Heel vaag, heel verweg vóélde hij wel iets. Zowel zijn vader als zijn moeder waren afkomstig van de Molukken. Maar spreken deden ze daar niet over. Zijn vader was architect in dienst van de Nederlandse koloniale overheid, en de jonge Manusama groeide op in een volledig Nederlands milieu. “De Koningin was míjn Koningin. Rood-wit-blauw mijn vlag.” Hij herinnert zich nog goed hoe hij na de lagere school zakte voor zijn toelatingsexamen voor de HBS. Hij moest naar de Mulo. Daar kwam hij voor het eerst in zijn leven in aanraking met 'Indische jongens'. Op een dag vroeg de leraar van de Mulo naar de status van zijn leerlingen. 'Inlander', antwoordde Johan Manusama in verwarring. Achter hem zat Frits die uit Ambon kwam. En Frits antwoordde 'Nederlander'. Hoe zat dat? Manusama ging naar zijn vader die woedend werd omdat zijn zoon zich op het minderwaardige plan van een 'inlander' had gesteld. “Je had moeten zeggen dat je gelijkgesteld bent als Europeaan”. Daar had zijn vader tenslotte zijn hele leven voor gewerkt.

Onder de heersende koloniale verhoudingen werd het identiteitsvraagstuk van de puber voorlopig gladgestreken. Manusama ging studeren aan de Technische Hogeschool van Bandung, waar eerder ook Soekarno zijn ingenieursdiploma had gehaald. “En toen werd ik leraar op dezelfde HBS die mij eerst niet had willen hebben”, zegt Manusama nog steeds glimmend van trots.

De Japanse bezetting kwam, en Manusama ontdekte de liefde. Ze was negen jaar ouder, vertelt hij. “Maar een schat van een vrouw hoor.” Ook zijn vrouw bleek afkomstig uit de Molukken. Ze wist er meer van dan hij, “maar ze sprak er heel weinig over want ze dacht: hij gaat er toch nooit heen.”

Toen Japan capituleerde werd Manusama door de Nederlanders als schoolhoofd naar het Makasser in Noord-Oost Indonesië gestuurd. “Eigenlijk wilde ik directeur worden van een grote middelbare school in Nederland. Dan kreeg ik nog meer geld. Maar dat moest ik dan maar even uitstellen tot ik mijn eerste verlof zou krijgen.”

Pas daar in Makasser, op 36-jarige leeftijd kwam de toekomstige president van de Zuidmolukken voor het eerst met 'echte' Molukkers in aanraking. “Ik zocht hen niet op, maar zij zochten mij op. Die Ambonezen daar waren in twee kampen verdeeld. Degenen die voor de Indonesiche onafhankelijkheid waren woonden verspreid door de stad. En al degenen die tégen Indonesië en voor Nederland waren woonden bij elkaar in Fort Rotterdam. Ik had gestudeerd en ze wisten dat ik uit Java kwam. Ik denk dat het daarom was ze me kwamen opzoeken.”

Voor hij het wist was hij benoemd tot voorzitter van de Ambonese vereniging op Makasser. En even later kwam uit Ambon een telegram dat hij was benoemd tot lid van de Zuidmolukkenraad- de volksvertegenwoordiging van de Molukken op Ambon. “Ze kenden me niet eens, ze hadden me nog nooit gezien”, zegt hij nog steeds oprecht verbaasd. Waarom hij dan accepteerde? Voelde hij zich toen plotseling wel Molukker? Hij zwijgt en kijkt nog verbaasder: “Ze stelden groot vertrouwen in me”, zegt hij zacht.

Het is een vreemde ambitie die ir. J.A. Manusama heeft gedreven. Als een goede vader spreekt hij over 'mijn arme Volk' en 'mijn onderdrukte vaderland'. Maar het woord wij neemt hij de hele middag niet in de mond. De Molukkers zijn voor hem nog altijd een zij, iets dat 'geholpen' en 'geleid' moet worden, en toch iets waartoe hij niet echt behoort.

Over de roerige dagen waarin de invasie van het Indonesche leger dreigde, spreekt Manusama alsof niet juist híj daarin doorslaggevende politieke en militaire afwegingen heeft gemaakt. “Ik had het gevoel dat de Almachtige iets van me wilde”, vertelt hij over de proclamatie die de Zuidmolukkenraad op 25 april 1950 uitsprak. “Ik zag grote onrust en wist toen dat het mijn plicht was iets voor dat volk doen.” Manusama organiseert een grote 'meeting' om 'het volk voor te lichten'. Het volk trekt vervolgens naar het erf van de resident en schreeuwt 'proclamatie': “Het was dus echt zoals het volk het wilde.”

Overal ziet Manusama 'tekens': drie maanden nadat de Indonesische troepen op Ambon landden vluchtte Manusama met de andere leden van de regering naar het naburige eiland Ceram. “Bij die evacuatie zag mijn vrouw een wolk die ons steeds voorging; dat was een goed teken.” Als hij een jaar later per prauw naar Nieuw-Guinea vertrekt om 'de schreeuw om recht van het Molukse volk' aan de wereld kenbaar te maken, lijkt opnieuw de Almachtige te interveniëren: “De tocht heeft 27 uur geduurd. We hadden geen kompas, geen voorraden, niets. Er woedde een vreselijke storm. Op het laatste moment zonk de prauw. Ik dacht dat mijn laatste uur was geslagen. Mijn vrouw hield de papieren die ik had meegenomen boven haar hoofd - een moedige vrouw hoor. We zagen hoge rotsen in de branding. En opeens werden we opgetild door een golf en op een strandje tussen de rotsen gegooid. De eerste woorden die ik tegen mijn vrouw zei waren: 'Ik denk dat Onze Lieve Heer mij nog wil gebruiken.'

Niet zíjn overtuiging, niet zíjn strijd, maar 'Gods wil' - is dat het RMS-ideaal dat vijfenveertig jaar later in Nederland nog steeds wordt hooggehouden? Zelf is hij een onbetekenende factor. “Als ik straks dood ben mag men mij vergeten.” En dat meent Manusama. Immers: “Ik ben er innerlijk van overtuigd dat God het Molukse volk heeft uitverkoren zoals Hij de Joden heeft uitverkoren.”

Volmondig geeft hij toe dat het RMS-ideaal onder de huidige politieke verhoudingen nooit gerealiseerd zal kunnen worden. Al meer dan dertig jaar heeft hij zich erbij neergelgd dat hij het zelf nooit zal meemaken. Toch weet hij zeker dat ooit, ooit de RMS er zal komen. Hoe? “Ik heb de Lieve Heer daar nog niet over gesproken”, zegt hij giechelend. “Maar de Berlijnse muur is toch ook gevallen?”

In het hart van de schoolmeester die zijns ondanks president werd, lijkt geen twijfel te wonen. Geen spijt in de ziel van een man die een volk leidde dat hij nooit kende. Ook in de donkere dagen van de gijzelingen bij De Punt en Wijster heeft zijn vertrouwen niet gewankeld, zegt Mamusama. “Waarom zou ik me medeverantwoordelijk voelen? Ik heb die jongens toch niet gezegd dat ze dat moesten doen!?”

Niet iedereen in de Molukse gemeenschap neemt hem deze houding in dank af. Volgens velen is Manusama wel degelijk verantwoordelijk. Ook voor wat er met de jongens bij de treinkapingen is gebeurd. Híj was het die vanuit zijn ivoren toren op de RMS-idealen bleef hameren, stellen zij. Wat wist hij als búrgermolukker van de kazernementaliteit waarmee al die soldaten hier hun zoons opvoedden? Wist hij hoe vaders op hun doodsbed hun zoons lieten beloven dat ze zouden vechten en sterven voor de Republiek?

Omgekeerd is natuurlijk ook de Moluks gemeenschap verantwoordelijk. Ze namen een buitenstaander en hesen hem op een voetstuk. “Zij willen het liefst dat ik de hele dag dóódstil op een troon zit, omgeven door pracht en praal”, had Manusama zich in 1976 tegenover de Haagse Post beklaagd.

Het is laat in de middag. Een zwakke zon schijnt op zijn gezicht. Na al die uren lijkt hij vermoeid. Manusama vertelt over de droom die hij onlangs had. In het oerwoud belegde hij een vergadering. Maar er kwam niemand opdagen. Toen kon hij de weg naar huis niet meer terugvinden. “Ik geloof niet in dromen hoor. Die hebben geen waarde.” Zijn stem piept hoger dan ooit.

Heeft ir. Manusama wel eens gehuild? “Nou, niet zo gauw hoor”, schrikt hij op. Hij is nu zijn memoires aan het schrijven. Daarvoor leest hij de brieven die hij uit Makasser aan zijn vader schreef. Dan komt er natuurlijk wel heimwee op. Maar huilen om het idee dat hij de Molukken in zijn leven nooit meer zal zien? Nee, dan kan hij wel blijven huilen. “Dan zou ik helemaal geen traan meer hebben. En ik moet nog wel tranen houden voor mijn laatste doodssnik.”

Aan museumvoorzitter Dita Vermeulen heeft Manusama wel eens verklapt: Bij mijn begrafenis moet muziek van Gustav Mahler gespeeld worden. Helemaal gek is hij van Mahler. Maar op zijn begrafenis zal geen Mahler gespeeld worden. Molukse volksliederen zullen er klinken.