Gefixeerd op de vier poortjes, met de tong tussen de tanden

BARNEVELD, 24 APRIL. Nog niet zo lang geleden kon je Theo van der Elzen voor een spelletje sjoelen wakker maken, desnoods in het holst van de nacht. Geen kwaad woord zou over zijn lippen rollen. Niets was de Limburger te dol als het op sjoelen aankwam. Tegenwoordig doet hij het rustiger aan. “Ik ben er twee jaar uit geweest door een blessure. Toch kan een om acht uur begonnen training zo uitlopen tot ergens diep in de nacht. Dan kan ik er gewoon niet mee uitscheien. Het heilige vuur is blijkbaar terug”, glimlacht de lasser uit Venlo.

De 44-jarige Van der Elzen was zaterdag een van de ruim vierhonderd deelnemers aan de Nederlandse kampioenschappen. Vanuit alle windstreken waren 's lands beste spelers en speelsters - in leeftijd variërend van acht tot tachtig - naar de Veluwehal in Barneveld gekomen. Van Finsterwolde tot Middelburg, van Den Helder tot Gulpen. Om voor de zeventiende maal elkaars krachten te meten in de oer-Hollandse bezigheid met de dertig beukehouten schijven en de vier poortjes in de twee meter bij zestig centimeter grote sjoelbak.

“De voorronden zijn gekoppeld aan de clubkampioenschappen. Die staan in het teken van maar één ding: kwalificatie voor Barneveld. Dan gaat het er heel fanatiek aan toe. De teleurstelling is enorm als plaatsing niet wordt gehaald. Mede daarom organiseren wij naast de NK ook een open toernooi met nog eens zo'n 450 deelnemers. Mensen die Barneveld voor geen goud willen missen en het sjoelen maar niet kunnen laten”, zegt Cees van der Kaayen, de penningmeester van de Algemene Nederlandse Sjoelbond (ANS) die zelf als fervent sjoeler ook menig uurtje bij de speelbak is te vinden.

De organisatie viert over drie weken haar achttiende verjaardag. Het voorlopige hoogtepunt dateert uit 1984, toen de bond officieel erkenning kreeg in de vorm van aansluiting bij de Nederlandse Sport Federatie. Waarna de overheid de subsidiekraan voorzichtig opendraaide. Daarmee werd het sjoelen - Fries voor 'slepen' of 'schuiven' - ontdaan van het stoffige imago van ludiek volksvermaak, dat in de vorige eeuw zijn hoogtijdagen vierde. En dat velen nog steeds associëren met regenachtige dagen in buurt- en bejaardentehuizen. Inmiddels telt de bond ruim drieduizend leden, verspreid over 103 verenigingen die alle uitkomen in een van de zeven regio-competities.

De populariteit van de 'sport' reikt niettemin aanzienlijk verder, beweert Van der Kaayen. Volgens schattingen behoort de sjoelbak bij zo'n half miljoen Nederlanders tot de inventaris. Bovendien bestaan er nogal wat zogenoemde wilde clubs. “Dat zijn verenigingen die zich niet willen aanpassen aan de strenge regels die wij voorschrijven”, zegt Van der Kaayen. “Zo hanteert de ANS de bepaling dat schijven die in de poortjes blijven steken niet worden meegerekend in de score. Sommigen vinden dat te ver gaan. Ze sluiten zich daarom aan bij een club die het niet als wedstrijdsport ziet, maar als een vrijblijvende, recreatieve bezigheid.”

Sjoelen in competitieverband gaat daarentegen gepaard met het nodige fanatisme. In de Barneveldse sporthal, waar 240 sjoelbakken in slagorde staan opgesteld, druipt de verbetenheid van menig gezicht. Met de tong tussen de tanden, een enkeling voorzien van speciale handschoenen, zijn de ernstige blikken van de sjoelers gefixeerd op de vier poortjes, elk goed voor een puntenaantal variërend van één tot en met vier.

Het staccato geroffel van de schijven die tegen het houtwerk ketsen, doet vermoeden dat het dak van het sportcomplex door een fikse wolkbreuk wordt getroffen. Het deert de spelers allerminst. Vanaf de ballustrade - behangen met tal van spandoeken ('Piet, als je wil winnen, kan je winnen') - slaat bondsvoorzitter Arie Oostenbrink de verrichtingen van zijn echtgenote gade. “Kom op meid, gooi die 2 maar vol”, lispelt hij zachtjes.

Het moge duidelijk zijn, zegt Oostenbrink vervolgens met een weids armgebaar in de richting van de bomvolle hal: sjoelen is een volwaardige sport en allesbehalve een simpele huis-, tuin- en keukenbezigheid of een veredeld kinderspelletje. “De meeste topspelers trainen twee à drie keer in de week. Uren aaneen. Dat moet ook wel. Sjoelen is een combinatie van techniek en pure concentratie.” Daarom spelen golfspelers het ook vaak. Wee degene die sjoelen in een adem waagt te noemen met folkloristisch tijdverdrijf als zaklopen en ringsteken.

Oostenbrink gaat een stap verder. Dit najaar organiseert de ANS de eerste officiële sjoelinterland tegen Duitsland. Hardop mijmert de voorzitter over verdere mondialisering. De eerste aanzet daartoe deed de bond vijf jaar geleden al bij de Wereldspelen voor gehandicapten in Assen. “Wij verzorgden het randgebeuren. Tal van nationaliteiten maakten toen voor het eerst in hun leven kennis met sjoelen. Enkele Koeweiti's kochten zelfs een paar bakken. Zij konden dat betalen. Anderen, onder wie de Iraki's en de Iraniërs, niet. Sindsdien gaat bij ons de grap dat Saddam daarom Koeweit binnenviel”, grijnst hij.

Hoewel Oostenbrink en de zijnen hun zinnen hebben gezet op de organisatie van een EK, blijft het vooralsnog bij de NK-titelstrijd. Waar ook Theo van der Elzen volgend jaar weer van de partij zal zijn. Dan mag hij meedoen met de echte toppers uit de A-klasse, die allen goed zijn voor een score van tenminste 138 punten. “Dat wordt een zware opgave. Want sjoelen is meer dan zomaar een paar schijfjes weggooien”, zegt de Limburger, terwijl hij een patatje eet. Even verderop verlaten de eersten de Barneveldse sporthal, sommigen met een langwerpig karton met inhoud onder de arm. Een sjoelbak.