Financieringstekort en werkloosheid te hoog; Duisenberg heeft forse kritiek op kabinet Kok

AMSTERDAM, 24 APRIL. De president van De Nederlandsche Bank, dr. W. Duisenberg, heeft forse kritiek op het augustus 1994 aangetreden kabinet van zijn partijgenoot Kok.

Duisenberg hekelt in zijn vandaag verscheen jaarverslag vooral de “op zijn minst weinig ambitieus te noemen doelstelling ten aanzien van financieringstekort en staatsschuld”, die schraal afsteekt tegen de prestaties van Duitsland, en de werkloosheidsbestrijding die naar de mening van de bankpresident “aanzienlijk drastischer maatregelen” vereist dan in het verslagjaar 1994 werden getroffen.

De lastenverlichting van 10 miljard gulden die het kabinet Kok tijdens de eerste twee jaren doorvoert, had wat Duisenberg betreft gehalveerd mogen worden, zo gaf de president vanochtend in een toelichting op het verslag te kennen. Het kabinetsbesluit om ondanks de hoge werkloosheid en de ongezonde overheidsfinanciën de uitkeringen volgend jaar alvast gelijk op te laten lopen met de bruto lonen in het bedrijfsleven en ook het bruto minimumloon in gelijke mate te verhogen noemde Duisenberg voorbarig. “Ik acht die beslissing wel erg vroeg genomen,” zei hij.

Kok blonk de afgelopen jaren volgens Duisenberg in zijn Verslag eerst als minister van financiën en vervolgens als minister-president niet zozeer uit in het terugdringen van de werkloosheid en de staatsschuld, als wel in “procesmatige versnelling van het opleggen en innen van aanslagen door de belastingdienst” en in “incidentele dekkingen” van overheidstekorten. In 1993 leverde versnelde inning van belastingen onder schatkistbewaarder Kok bijna 4 miljard gulden op. Verkoop van staatsbezit (KPN-aandelen en HBO-schoolgebouwen) en vervroegde aflossing van woningwetleningen leverden in 1994 20 miljard gulden aan ontvangsten op. De Nederlandsche Bank kijkt door deze “eenmalige financiële transacties” heen en constateert dat “het voor deze incidentele factoren geschoonde financieringstekort, evenals vorige jaren, op een significant hoger niveau (3,8 procent bruto binnenlands produkt) lag en ten opzichte van 1993 (3,1 procent BBP) flink is gestegen”.

Ondanks alle in het regeerakkoord neergelegde goede voornemens slaagt het kabinet er volgens Duisenberg niet in “om de rentelast op de begroting (al meer dan 14 procent van de totale rijksuitgaven) terug te dringen ten gunste van zinvollere overheidsuitgaven”. Dit dringt volgens Duisenberg te meer daar de kosten van de vergrijzing van de bevolking de komende jaren flink gaan oplopen. Voor zover er al sprake is van verbetering van de overheidsfinanciën is die volgens Duisenberg “in belangrijke mate toe te schrijven aan de opgaande conjunctuur”. Structurele maatregelen ter sanering van de overheidshuishouding blijven volgens de centrale-bankpresident noodzakelijk. Verdere ingrepen in het stelsel van sociale zekerheid zijn volgens Duisenberg dan ook onontkoombaar. Duisenberg in zijn verslag: “Al met al is de inactiviteit in ons land enerzijds een gevolg van de vergrijzing, maar anderzijds ook toe te schrijven aan de vormgeving van de sociale zekerheid en de aard van de regelgeving rond de arbeidsmarkt, die relatief weinig prikkels bevatten voor vermindering van de inactiviteit”.

Ook al ligt de werkloosheid met een niveau van 8,7 procent van de beroepsbevolking in 1994 nog onder het record van 10 procent dat in 1983 en 1984 werd bereikt, de werkloosheissituatie is nu volgens Duisenberg veel ongunstiger dan tijdens de economische crisis van begin jaren tachtig. Zo is het aandeel van de langdurige werkloosheid in de totale werkloosheid in het begin van het vorige decennium in enige jaren tijd toegenomen van rond een vijfde tot ongeveer de helft en heeft dit aandeel zich sindsdien ondanks oplevingen van de economie op dit hoge niveau gehandhaafd. Ook de inactiviteit (werklozen, arbeidsongeschikten, ouderen) is ongunstiger dan tijdens de vorige conjuncturele inzinking. “In de recessie in het begin van de jaren tachtig,” schrijft Duisenberg, “steeg het verhoudingsgetal van inactieven/actieven van 66 in 1980 naar 83 in 1984. Ondanks het navolgende conjunctuurherstel in de tweede helft van de jaren tachtig bleef deze indicator hoog: in 1990 bedroeg de verhouding circa 82 en in het verslagjaar werd een niveau van bijna 85 bereikt”. Dit doet volgens Duisenberg het ergste vrezen voor een komende conjuncturele inzinking, die volgens het Centraal Planbureau in de tweede helft van volgend jaar een aanvang maakt.

Veelzeggend is dat Duisenberg tegenover de weinig ambitieuze doelstellingen van het kabinet Kok aangaande de staatsfinanciën het “krachtdadig beleid” van de Duitse regering plaatst. “Belangrijke bijdragen aan de verbetering van de Duitse overheidsfinanciën,” aldus Duisenberg in zijn verslag, “werden geleverd door bezuinigingen op de uitgaven in de sociale zekerheid en op de ambtenarensalarissen. Terwijl in Nederland belastingen en sociale lasten worden verlaagd worden die in Duitsland juist verhoogd.”

De ontwikkeling van overheidsschuld en rentelasten vormen niet alleen in Nederland, maar in de hele Westerse wereld een probleem. In vrijwel alle 25 landen die zijn aangesloten bij de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) nam de overheidsschuld vorig jaar toe. In het OESO-gebied is de gemiddelde bruto schuldquote de afgelopen twintig jaar vrijwel aanhoudend gestegen, met meer dan 30 procentpunten tot ruim 70 procent van het BBP in 1994. Het gevolg van deze ontwikkeling is volgens Duisenberg niet alleen een groeiend aandeel van de rentelasten in de overheidsuitgaven - in Italië en België al circa 20 procent - maar ook een toenemende gevoeligheid van de overheidsbegroting voor rentebewegingen. In samenhang met de geringe neerwaartse flexibiliteit van de sociale uitkeringen leidt dat volgens de president tot “verminderde beheersbaarheid van de overheidsfinanciën”. Nederland vormt geen positieve uitzondering op deze algehele financiële malaise.

Hetzelfde geldt voor de werkloosheidsbestrijding. Daarbij doen Nederland en de andere lidstaten van de Europese Unie flink onder voor bij voorbeeld de Verenigde Staten. Hogere produktie leidde aldaar tot een aanzienlijke toeneming van de werkgelegenheid (3 procent in 1994) en een werkloosheid die met 5,6 procent van de beroepsbevolking een niveau bereikte dat het laatst in 1990 werd gezien.

In Europa daarentegen blijft de werkloosheid hangen op een hoog niveau. Duisenberg weet wel waarom. “In de VS werd de toeneming van de beroepsbevolking, die ongeveer even groot was als in ons land, geheel door extra arbeidsvraag opgenomen en daalde bovendien de werkloosheid. In dit verschil weerspiegelt zich niet alleen het feit dat de VS zich in een verdere fase van de conjunctuur bevinden, maar ook dat in dit land de arbeidsmarkt beter werkt dan in de Europese landen”. Wat hij met dat laatste bedoelt? Duisenberg: “Sneller ontslag, grotere geografische en functionele mobiliteit, en dan ook minder terughoudendheid om met nieuwe werknemers aan de slag te gaan, dragen bij aan een sneller en sterker reageren van werkgelegenheid op verbeterde economische perspectieven.” Volgens Duisenberg heeft het kabinet nog veel werk te verrichten.