Explosies van diverse materialen

Architecten zullen niet gauw toegeven dat hun scheppingen modieus zijn, toch laten gebouwen zich gemakkelijk dateren. De jaren negentig kennen hun eigen architectuur mode. Een paar stijlkenmerken ervan kunnen nu al worden gecatalogiseerd. Deze week: de botsingsarchitectuur.

De baksteen wankelt. Eeuwenlang bepaalden gevels van baksteen het Nederlandse stadsbeeld, maar de twintigste eeuw bracht het beton. En in de jaren tachtig gingen de bakstenen, als ze al werden gebruikt, verborgen achter stucwerk. Werken, zo vonden de architecten in het vorig decennium, doet men in spiegelglaspaleizen, wonen in kleurig gestucte woningen, alsof Nederland nu definitief een Duitse provincie was geworden.

In de jaren negentig is de baksteen weer teruggekeerd, maar niet als alleenheerser. Baksteen is slechts een van de vele materialen die architecten tegenwoordig steeds vaker in één gebouw gebruiken. Dit verschijnsel, dat in het Architectuurjaarboek 1993-94 al werd opgemerkt en tot 'hybridische architectuur' werd gedoopt, is de mode bij uitstek van de jaren negentig. Gebouwen vormen niet een visuele en ruimtelijke eenheid, maar brengen tegenstellingen bij elkaar. Nergens anders is de botsingsarchitectuur van de jaren negentig beter te zien dan in het Museumpark in Rotterdam. Aan de ene kant van het park staat Jo Coenens Architectuurinstituut, duidelijk zichtbaar gemaakt van beton, glas, staal, baksteen en glazen bouwblokken, aan de andere kant heeft Rem Koolhaas travertijn, staal, glas, beton, zwarte gevelbeplating en polycarbonaatplaat samengebracht in de Kunsthal.

Maar ook buiten Rotterdam zijn veel botsingsbouwwerken te zien. Het Univé-gebouw in Assen, ontworpen door Karelse van der Meer, is een collage van materialen, Rudy Uytenhaak gebruikte in zijn Huis voor Schoone Kunsten in Apeldoorn een keur aan materialen, waaronder het tegenwoordig onder architecten zo geliefde hout. In Groningen staat het allerbontste botsingsgebouw: het nieuwe Groninger Museum van Alessandro Mendini en anderen is een orgie van kleuren, materialen en vormen. Iets ingetogener dan dit museum maar ook met een duidelijk botsingskarakter behept is de nieuwe bibliotheek in Almelo. Het dak is van zink, zo heeft het architectenbureau Mecanoo gewild, de gevels zijn bekleed met koper en knalblauwe glasplaten en de muren zijn van beton en zwarte bakstenen.

Het is veelzeggend dat juist het Delftse bureau Mecanoo zich heeft overgegeven aan de botsingsarchitectuur, overigens niet alleen in de Almelose bibliotheek maar ook in de woningbouw. Mecanoo was tenslotte de kampioen van het neo-modernisme, de architectuur van de jaren tachtig die aansloot op die van de modernisten van de jaren twintig en later. Dat nu zelfs dit bureau 'hybride architectuur' voortbrengt wijst er dan ook op dat het modernisme-tijdperk in de Nederlandse architectuur eindelijk ten einde loopt.

De botsingsmode is geen typisch Nederlands verschijnsel maar een internationaal verschijnsel. Hippe architecten in Los Angeles zoals Eric Owen Moss doen niets anders dan het samenbrengen van allerlei, liefst ongebruikelijke, materialen in één gebouw. In Nederland heeft Rem Koolhaas met bijvoorbeeld zijn Danstheater in Den Haag een pioniersrol in de botsingsarchitectuur gespeeld. Vroeger werd hij wel eens tot het kamp der deconstructivisten gerekend, en hoewel dit ten onrechte was, is het deconstructivisme wel de bron van de Nederlandse botsingsarchitectuur. De huidige wereld is vol tegenstellingen, zo redeneren de deconstructivisten, en dat moet worden weerspiegeld in de architectuur.

Het deconstructivisme is, zoals zoveel in de architectuur, natuurlijk niet echt nieuw. Het heeft zijn voorganger in het zestiende-eeuwse maniërisme van architecten als Giulio Romano, dat door in de tijdgeest gelovende historici wel wordt gezien als een weerspiegeling van de toenmalige onzekere tijden. In zijn beroemde Palazzo del Te in Mantua zondigde Romano opzettelijk tegen de regels van de klassieke bouwkunst. Ramen lijken in dit wonderlijke gebouw uit hun voegen te barsten, sluitstenen worden omhoog gedrukt door onbekende krachten en triglyphen zakken door de kroonlijst heen alsof ze op het punt staan eruit te vallen. Ze geven het gevoel van een 'delighted horror', zoals Peter Murray in zijn The Architecture of the Italian Renaissance schreef.

Zoals het maniërisme de laatste fase was van de renaissance voor de explosie van de barok begon, zo is de botsingsbouwkunst de laatste fase van het Nederlandse modernisme voor een nog onbekende nieuwe stijl. De botsingsmode is het maniërisme van onze tijd.