De Unie kleedt Nederland niet uit

“Onze Kamerleden moeten over het Eigen-middelenbesluit naar eer en geweten kunnen stemmen”, vond mr. A.H.J.W. van Schijndel in zijn artikel in NRC Handelsblad van 15 april. Het Eigen-middelenbesluit betreft de financiering van de uitgaven van de Unie van 1995 tot 2000. Van Schijndels advies aan de Kamerleden: 'Stem tegen'.

Voor dat advies snijden zijn argumenten onvoldoende hout. Dat komt omdat het uitgangspunt voor zijn betoog, de verslechterende Nederlandse 'netto-positie' (het saldo van afdrachten aan en betalingen uit Brussel), geen goed uitgangspunt is. Het is met die netto-positie als met het topje van de ijsberg: je ziet wat je ziet en wat je ook moet zien dat zie je niet. De netto-positie brengt namelijk alleen maar zichtbare, eenvoudig kwantificeerbare geldstromen in kaart, de niet eenvoudig kwantificeerbare blijven buiten beschouwing. Het begrip 'netto-positie' geeft geen werkelijk inzicht in de voor- en nadelen voor Nederland van het lidmaatschap van de EU en zelfs niet van de uiteindelijke financiële gevolgen ervan.

Van Schijndel acht het “een gevaarlijke redenering” om bredere voor- en nadelen in de beschouwing te betrekken dan de geldstromen van en naar Brussel. “De gemeenschappelijke markt is er nu eenmaal en het is niet duidelijk waarom er extra zou moeten worden betaald voor haar vervolmaking”, schrijft hij. De feiten liggen wat anders. De zuidelijke lidstaten en Ierland hebben voor de voltooiing van de interne markt de prijs bedongen van een zeer aanzienlijke vergroting van de omvang van de zogenaamde structuurfondsen. Die fondsen hebben tot doel hen te helpen bij het overwinnen van hun economische achterstand op de rest van de Unie. En buiten Gelderland en Zuid-Italië wordt daar ook hard aan gewerkt. In Ierland gaat het zelfs zo goed dat het land zich als geheel naar alle waarschijnlijkheid in 1999 niet meer voor het kostbaarste deel van de structuurfondsen, doelstelling 1 - gebieden die wij in Flevoland kennen -, kwalificeert. Er was dus een prijs voor de interne markt, een naar wij hopen tijdelijke prijs die echter wel betaald moet worden.

Zo was er ook een prijs voor het voor Nederland economisch zeer aantrekkelijke GATT-akkoord: de grondgebonden inkomenstoeslagen in de landbouw. Minister Van Aartsen wil die toeslagen graag nationaliseren. Het valt niet te ontkennen dat minister Zalm daar wel bij zou varen. Maar of onze agrarische export binnen de EU dat in deze tijden van heroplevend nationalisme ook zou doen valt zeer te betwijfelen. Voor je het weet worden je koeien van gekte, je varkens van blaasjesziekte en je tomaten van wateroverlast beticht.

Mr. A.H.J.W. van Schijndel lijdt ook aan wat wel heet het Calimero-complex: de grote lidstaten zouden in Edinburgh goede zaken hebben gedaan. Ook die uitspraak heeft weer een sterke Zalm-galm. Het zou bijvoorbeeld voor Kohl veel voordeliger geweest zijn het geven van 25 miljard steun aan de ex-DDR, waartoe in Edinburgh besloten werd, uit eigen zak te betalen. Om politieke redenen achtte hij echter Europese financiering van die ex-DDR van zoveel belang dat hij graag driemaal het terug te ontvangen bedrag aan Brussel betaalde. En de door de Fransen geregelde verhoging van de landbouwuitgaven onder druk houdende richtlijn? Ik blijf ervan overtuigd dat de Nederlandse minister-president en de Duitse bondskanselier, met hun nog sterkere valuta dan de Franse franc, daar niet echt lang tegen hebben gesputterd. Ook met betrekking tot het technologisch subsidiebeleid trekt Nederland, anders dan Van Schijndel meent, niet aan het kortste eind.

Er is dus wel wat op zijn argumentatie aan te merken. Wel kan ik hem volgen als hij schrijft “dat er op Europees niveau geen enkele rechtvaardiging bestaat voor regionaal beleid ten behoeve van de rijkere lidstaten”. Maar met die stelling is de Nederlandse regering het weer niet eens, die het rondpompen van belastinggeld blijft bepleiten als middel om het verschil tussen afdrachten aan en inkomsten uit Brussel zo klein mogelijk te houden. Met zo'n regelgeving blijft het, in termen van het Tweede Kamerlid Van der Ploeg, “knakenpoetsen” en lopen we het risico dat het debat over de 'netto-positie' dat over de economische en financiële voordelen - de politieke laat ik dan nog maar buiten beschouwing - van het Nederlandse EU-lidmaatschap gaat overschaduwen.

Dat laatste debat is de moeite waard. Het zou het ook beter mogelijk maken bij het debat over de Betuwelijn of Schiphol wat vaker over de inmiddels afgebroken binnengrenzen heen te kijken dan we tot nu toe doen. De uitkomst ervan maakt het daarnaast mogelijk nationaal de prioriteiten van beleid en begroting beter op elkaar af te stemmen. Daarbij is wel eerlijk rekenen gewenst. De douanerechten en de landbouwheffingen - ruim 3 miljard gulden per jaar - horen op onze afdrachtenrekening niet thuis. Die zijn van Europees Commissaris Liikanen. Hij gunt Zalm 10 procent van de inningskosten. Financiën heeft die 3 miljard echter nodig om aan te tonen dat de Nederlander de Europeaan is die per hoofd door de EU het meest wordt belast. De invoerrechten en -heffingen zijn echter ondubbelzinnig Europese heffingen: ze geven de produkten van derde landen toegang tot de Europese markt. Vanaf Rotterdam, Amsterdam, de Eemshaven of Terneuzen brengen onze vrachtwagens, binnenschepen en vliegtuigen deze produkten Europa in. Het probleem van de hoogste BNP-afdracht per hoofd wordt onmiddellijk opgelost door dat voortaan vanaf Antwerpen, Hamburg of Duinkerken te doen. Dat scheelt bovendien een Betuwelijn of een verder uitgebreid Schiphol.

Voor Zalm blijven er dan nog aanzienlijke lasten over: de kosten die elke lidstaat draagt uitgedrukt in een percentage BTW en BNP. Afgezet tegen het aandeel van de nationale begroting in het BNP is dat geen overdreven hoog percentage. Omdat de Europese begroting voor 1995 de 1.10 procent van het BNP niet haalt en omdat dit percentage nog tot 1.20 mag stijgen voordat een nieuw Eigen-middelenbesluit besluit nodig is, lijkt het me verstandig dat de Tweede Kamer eerst eens uitvoerig debatteert over de financiële voordelen van het EU-lidmaatschap voordat men tot de conclusie komt dat er ja gezegd moet worden tegen het Eigen-middelenbesluit.