De koppeling

DE KOPPELING IS TERUG. Het kabinet wil dat de uitkeringen en het wettelijk minimumloon in 1996 gelijk optrekken met de gemiddelde loonstijging in de marktsector. De koppeling, politiek omstreden tijdens drie kabinetten Lubbers en half toegezegd in het paarse regeerakkoord, is geruisloos van haar controversiële lading ontdaan bij de voorbereidingen voor de begroting van volgend jaar. Links, liberaal en pragmatisch: koppelen blijkt een goedkope oplossing voor het inkomensbeleid, oogt sociaal en biedt vooral de PvdA de mogelijkheid tot politieke profilering.

Ooit gold 'koppeling' als een teken van beschaving. De Wet koppeling met afwijkingsgronden (WKA) stamt uit 1992 en is de opvolger van de Wet aanpassingsmechanismen (WAM) uit 1980. Maar slechts twee keer (in 1980 en 1990) was sprake van volledige koppeling. Want steeds waren er redenen om af te wijken: de verhouding tussen actieven en inactieven (de zogenoemde i/a-ratio) lag boven de enigzins willekeurig getrokken grens van de wet. Daarom werd, jaar na jaar, met andere maatregelen het koopkrachtplaatje aan de onderkant gerepareerd. Soms waren de minima daardoor beter af dan met een volledige koppeling het geval zou zijn geweest, maar in de politieke optiek bleef 'koppeling' synomiem met sociale rechtvaardigheid.

In 1996 kruipt, mede als gevolg van de herziening van de WAO, de verhouding tussen werkenden en niet-werkenden dicht tegen de grens die de WKA heeft getrokken en daarmee is een wettelijke afwijzing van de koppeling niet langer mogelijk. Door de lage inflatie en de gematigde loonstijgingen in de marktsector is het niet zo'n kostbare excercitie om de koppeling te herstellen. Bovendien hebben de sociale fondsen volgend jaar naar verwachting geld over. Die 'meevaller' van te veel betaalde premies wordt voor een deel gebruikt om de koppeling te financieren.

MAAR IS HET een goed idee? Het herstel van de koppeling dwingt de partijen in de marktsector tot voortgaande loonmatiging. Op die manier wordt de solidariteit tussen werkenden en niet-werkenden in Nederland in stand gehouden: de actieven matigen zich om de inactieven te laten meedelen in de welvaart. Overigens is het kabinet nog lang niet klaar met het inkomensbeleid voor volgend jaar. In diverse departementen wordt nog lustig gerekend met fiscale varianten voor de minima en net daarboven.

Een groot bezwaar is de psychologische lading van het woord. Wat zal er bijvoorbeeld gebeuren, nu de koppeling volgend jaar wordt hersteld, als de omstandigheden in de toekomst weer veranderen? Dan begint de discussie over de hele of halve (ont)koppeling van voren af aan. Het komt de helderheid ten goede als het woord koppeling wordt geschrapt uit het sociaal-economische woordenboek. Dan kan het kabinet, alles afwegende, zijn verantwoordelijkheid nemen en jaarlijks vaststellen met welk percentage de uitkeringen en de AOW stijgen. Zonder te zijn gebonden aan de CAO-afspraken die in de marktsector worden gemaakt. Want daaraan liggen heel andere overwegingen ten grondslag dan de politieke wenselijkheid van een evenwichtig inkomensbeleid.