'Zweedse model voor volledige werkgelegenheid verdient kans'

MAASTRICHT, 22 APRIL. Als minister Melkert hem zou vragen om een remedie tegen de hoge werkloosheid, dan heeft Lei Delsen zijn antwoord klaar: invoering van het recht op een deeltijdbaan voor alle volwassenen, in combinatie met het recht op een (gedeeltelijk) basisinkomen, gegarandeerd door de overheid. “Dat is economisch efficiënt en sociaal wenselijk”, zegt hij.

Sinds kort mag L.W.M. Delsen zich doctor in de economie noemen. In zijn proefschrift Atypical employment: an international perspective, waarop hij eerder deze maand aan de Rijksuniversiteit Limburg promoveerde, breekt hij een lans voor “een nieuw concept van volledige werkgelegenheid”.

Officieel staat de na-oorlogse doelstelling van 'volledige werkgelegenheid' nog overeind, maar in werkelijkheid hoor je daar volgens Delsen vrijwel niemand meer over. De oplossingen die de (wisselende) coalities aandroegen, boden in elk geval geen soelaas. Er komen wel meer banen, maar toch blijft de structurele werkloosheid na elke economische inzinking op een hoger niveau steken.

Delsen onderzocht de a-typische arbeid, een verzamelnaam voor arbeidsrelaties die afwijken van het gangbare patroon. Hij keek vooral naar de ontwikkelingen in de OESO-landen rondom deeltijdarbeid en tijdelijke arbeid, twee varianten waar veel van werd en wordt verwacht als het om de bestrijding van de werkloosheid gaat.

Beide maken een flinke groei door - deeltijdwerk voornamelijk op initiatief van werknemers, tijdelijk werk vooral omdat werkgevers het willen. In de Verenigde Staten en Europa vond Delsen dat werkgevers geneigd zijn zowel de voordelen van deeltijdwerk als de nadelen van tijdelijk werk te onderschatten.

Delsen: “Werkgevers kiezen meestal op ad-hoc basis voor a-typisch werk. Maar als ze deeltijdwerk planmatiger aanpakken en garanderen, dan blijkt de produktiviteit aardig toe te nemen. Bij tijdelijk werk staren ze zich vaak blind op de numerieke flexibiliteit - de personeelsomvang laten mee-ademen met de afzet. Maar dat gaat ten koste van de flexibiliteit op langere termijn. Daarvoor biedt functionele flexibiliteit betere perspectieven, maar dat vergt investeringen in scholing en training, die het meestal afleggen tegen de winst die ze op korte termijn met numerieke flexibiliteit denken te boeken.”

Pleidooien voor deregulering en flexibilisering stoelen doorgaans op de these dat volledige werkgelegenheid èn een redelijke inkomensverdeling onverenigbaar zijn. Vandaar de grote uitruil - the big trade-off, in de woorden van A.M. Okun - tussen doelmatigheid en gelijkheid. Ligt het accent op doelmatigheid, zoals in de Verenigde Staten, dan ontstaat er meer werkgelegenheid en zijn de inkomensverschillen groter. Het omgekeerde is in Europa het geval: kleinere inkomensverschillen, hogere werkloosheid.

In navolging van de VS hebben diverse Europese overheden maatregelen getroffen om deeltijdarbeid en tijdelijke arbeid te bevorderen. Maar de resultaten noemt Delsen “ronduit teleurstellend”. “Alle beleid gericht op deregulering en flexibilisering heeft niet geleid tot meer werkgelegenheid, maar vooral tot een herverdeling van de werkloosheid en tot een verschuiving in de personeeelswerving door werkgevers in de richting van gesubsidieerde tijdelijke banen.”

Op langere termijn is het zelfs niet ondenkbaar dat deze maatregelen averechts uitwerken en de werkloosheid vergroten in plaats van verkleinen. “Kijk bijvoorbeeld naar Spanje. Daar is fors gedereguleerd, wat op korte termijn inderdaad leidde tot een enorme toename van tijdelijke werk. Maar het gevolg was óók, dat de overgebleven vaste werknemers, de insiders, zich sterker waanden door die buffer van tijdelijke krachten. Vervolgens eisten zij hogere lonen, en het eind van het liedje is dat de kosten per eenheid produkt, waar het uiteindelijk allemaal om draait, niet omlaag maar juist omhoog zijn gegaan.”

Een ander voorbeeld van zo'n niet bedoeld effect vond Delsen in de VS. “Daar is goedkope arbeid volop beschikbaar. Maar dat blijkt op termijn ook een lage arbeidsproduktiviteit op te leveren, doordat de lage beloning elke prikkel wegneemt om het beter te doen.” Dit zou de pleitbezorgers van een flexibeler minimumloon in Nederland wel eens tot nadenken mogen stemmen, vindt Delsen.

Gelet op deze ervaringen vraagt Delsen zich in zijn proefschrift af of 'volledige werkgelegenheid' en 'redelijke inkomensverhoudingen' wel zo onverenigbaar zijn als de aanhangers van de grote uitruil beweren. Anders gezegd: zijn er omstandigheden denkbaar waarin ze elkaar wellicht aanvullen of versterken? Delsen vond vier voorwaarden: centralere loononderhandelingen, actief arbeidsmarktbeleid, functionele flexibiliteit en herregulering (in plaats van deregulering).

Deze uitkomst komt opmerkelijk dicht in de buurt van het 'Zweedse model' - aldaar weliswaar recentelijk ten grave gedragen onder druk van het EU-lidmaatschap, maar volgens Delsen tegen “een hoge prijs, namelijk oplopende werkloosheid”. Delsen presenteert de Zweedse aanpak, volgens hem ten onrechte in discrediet geraakt, als nieuw wenkend perspectief. Dat is nogal gewaagd met het oog op de heersende trend, al bespeurt hij daarin een kentering.

Op grond van zijn vergelijkend onderzoek concludeert Delsen dat baanzekerheid de economische prestaties niet hoeft te schaden. “Bevordering van zekere deeltijdbanen in combinatie met een basisinkomen verhoogt niet alleen de arbeidsparticipatie, maar vergroot ook de flexibiliteit, zowel binnen bedrijven als op de arbeidsmarkt. Een dergelijke aanpak richt zich op verbetering van de positie van de mensen die onder het huidige sociale zekerheidsstelsel en het huidige werkgelegenheidsbeleid worden uitgesloten van betaalde arbeid.”