Zuivering

De oud-illegaliteit veroordeelde De Telegraaf na de bevrijding in koor als een zeer foute, collaborerende krant, maar op de keper beschouwd was ze niet zo heel veel fouter dan de andere dagbladen die in de oorlog waren blijven verschijnen. Ze was in elk geval niet de enige foute krant, zoals gesuggereerd wordt in de protestreacties tegen de samenwerking tussen het Nationaal Comité van 4 en 5 mei en De Telegraaf, die is uitgekozen om een festivalkrant voor dat comité te maken. De verklaring van de woordvoerster van het 4 en 5-mei-comité dat het oorlogsverleden van De Telegraaf 'best wel meevalt' mag niet erg tactvol zijn, zij is in overeenstemming met het eindoordeel van de naoorlogse perszuivering. De Commissie voor de Perszuivering, ingesteld door het College van Vertrouwensmannen (in overleg met de Contact-commissie der Illegaliteit) oordeelde in 1948 dat de houding van de krant tegenover de bezetter maar weinig verschilde van die van de andere kranten.

Het eerste oordeel viel nog tamelijk hard uit, maar dat werd in hoger beroep verworpen. Bij die tweede gelegenheid kwam De Telegraaf er nauwelijks slechter af dan de meeste andere Nederlandse dagbladen. Toch had zij “uit pure baatzucht en welbewust met de vijand en diens handlangers geheuld en propaganda gevoerd voor de nationaal-socialistische denkbeelden en ideologieën”.

Het bedrijf had niet alleen het antisemitische vuilnisblaadje De Misthoorn gedrukt maar ook de Deutsche Zeitung in den Niederlanden. Dat ze niet gedwongen was die krant te drukken, zoals ze bij haar verdediging aanvoerde, blijkt uit het feit dat die drukorder door de NRC-directie geweigerd was (L. de Jong, 'Koninkrijk', deel 12, Epiloog, blz. 407/8). De Telegraaf werd een verschijningsverbod van dertig jaar opgelegd, maar dat werd al in 1949 door de Raad van Beroep voor de Perszuivering opgeheven. De Raad oordeelde dus aanzienlijk milder dan de Commissie, die De Telegraaf tot enige zondebok had willen verklaren. De inhoud van de krant had volgens de beroepsinstantie “niet ongunstig afgestoken bij die van andere bladen”. Het was een relatief oordeel, dat niet zozeer de collaboratie van De Telegraaf nuanceerde als wel de andere kranten op Telegraaf-niveau bracht.

De straf van hoofdredacteur J.M. Goedemans, wie eerder vier jaar het recht was ontzegd om als journalist werkzaam te zijn, werd teruggebracht tot één jaar. Goedemans (die, zoals de Duitse oorlogsmisdadiger Willy Lages in zijn naoorlogse verhoren verklaarde, 'nicht-Deutsch-freundlich' was geweest) werd ernstig gekritiseerd omdat hij op 17 mei 1942 een door het Reichskommissariat geïnspireerd antisemitisch artikel had afgedrukt, maar overigens had zijn beleid “niet wezenlijk verschild van dat van vele andere dagbladen”.

Die uitspraak was zeker niet als een compliment bedoeld, want het bij de uitspraak gevoegde antisemitische artikel uit '42, dat onder zijn verantwoordelijkheid was gepubliceerd, was een voorbeeld van beschamende meeloperij. Het was een geschrift waarin de anti-joodse maatregelen van de Duitsers met animo werden verdedigd, zoals uit de volgende alinea's blijkt.

“Duitschland heeft uit een instinctmatige behoefte aan reinheid van levenshouding van het eigen volk, den Joden het veelal op slinksche wijze verkregen burgerrecht weer ontnomen en hen teruggebracht tot een uitgangspunt, waarop zij stonden voor dat zij over Europa uitzwierven.

“Het feit der bezetting legt het Nederlandsche volk de verplichting op, een loyale houding ten opzichte van de bezettende macht aan den dag te leggen en dit te meer, nu gebleken is, dat de bezettende macht in alles het Nederlandsche volk als vriend beschouwt en behandelt.

“Jood is en blijft Duitschlands vijand, of hij nu uit Portugal of kersvers uit Jeruzalem, al dan niet voorzien van een Nederlandsche pas of identiteitskaart, hier verzeild is geraakt. Volgens begrippen, die met een loyale houding stroken, dient iedere Nederlander dit Duitsche standpunt, dat de Jood zijn vijand is, te eerbiedigen en zich te onthouden van alle gedragingen die daarmee in strijd zijn.

“Nederlanders, die niet kunnen besluiten, hun vriendenomgang met Joden te staken of die door provoceerend optreden de bezettingsmacht tarten, lopen gevaar, zelf ook als Jood behandeld te worden, met alle consequenties, die hieruit nu en - bij een eventueel verscherpte houding - in de toekomst zullen voortvloeien. Men doet goed dit thans, nu het nog niet te laat is, in alle nuchterheid te overwegen.”

In zijn schriftelijke verdediging nam Goedemans de houding van miskende verzetsheld aan, die de Duitsers regelmatig in zijn krant belachelijk had gemaakt, maar zweeg in alle talen over zijn verantwoordelijkheid voor dit (hem) 'opgedrongen' hoofdartikel.

P.S. In haar levensbeschrijvingen is de vorige week overleden actrice en oud-journaliste Lyda Polak meer herdacht als het model van de schilder Herman Gordijn dan als de toeverlaat van onderduikers die tijdens de bezetting een onovertroffen moed en hulpvaardigheid toonde. In haar huis aan de Leidsekade in Amsterdam verborg Lyda Polak niet slechts één onderduiker, maar een heel gezelschap - tot de laatste dag van de oorlog. In haar herinneringen aan het literaire leven tijdens de bezetting (Liefde en oorlog) heeft Tonny van der Horst een welverdiend standbeeld voor haar opgericht.