Vriendschap in Afrika

KOERT LINDIJER: Een kraal in Nairobi

156 blz., geïll., Prometheus 1995, ƒ 29,90

Driehonderd kilometer ten noorden van Nairobi, net iets over de evenaar, beginnen de droge en onvruchtbare gronden van Noord-Kenia. De temperatuur loopt er op tot boven de dertig graden. De asfaltwegen houden er op. De Britten deden nooit moeite dit gebied ten noorden van de groene Mount Kenya te koloniseren en ook nu nog telt de macht van de Keniase regering er nauwelijks. Er wonen semi-nomadische stammen als de Samburu's, Rendiles, Somaliërs en Borana's die leven van de veeteelt. Er wordt nauwelijks iets gedaan aan ontwikkeling, en banditisme en veediefstal hebben er vrij spel.

Periodiek wordt het gebied geteisterd door droogte die het vee doet sterven. Jonge nomaden trotseren dan noodgedwongen de ontberingen van de grote stad om er een baantje te zoeken als nachtwaker, waarmee zij genoeg kunnen verdienen om hun familie en zichzelf in leven te houden.

In Nairobi woont ook Koert Lindijer, Afrika-correspondent van onder meer deze krant. Hij vond dat hij geen nachtwaker nodig had, omdat er “zelfs nog nooit ook maar een sok van hem was gestolen”. Maar hij was wel geïnteresseerd in contact met de Maasai- en Samburu-krijgers en hij nodigde sommigen van hen uit in zijn tuin of ging met ze eten in de stad. Zo kwam hij in contact met de jonge Samburu Lemelen.

Er groeide een vriendschap tussen hen beiden, waarover Lindijer verslag doet in Een kraal in Nairobi. Het is het verhaal van een band tussen twee mensen uit een totaal verschillende wereld, die zowel voor Lindijer als voor de ongeletterde Lemelen een ontdekkingstocht werd. Lemelen vertelt over zijn onbezorgde leven als moran (Samburu-krijger) en de redenen waarom hij zijn thuis en natuurlijke omgeving verruilde voor de wildernis van Nairobi, waar hij werkte als nachtwaker voor een Indiër. Lindijer werd de eerste blanke met wie hij sprak. Hij leerde van hem de luxe kennen van televisie en een warm bad en veel van de onbegrijpelijkheden van het leven in grote steden buiten het verband van zijn Samburu-stam.

Lindijer vertelt hoe hij met zijn achtergrond, het Amsterdam van de anti-autoritaire en individualistische jaren zestig en zeventig met zijn drugs- en kraakscene en de muziek in Paradiso naar Afrika trok om zich daar onmiddellijk thuis te voelen. Hij woonde al enige tijd in Nairobi toen hij Lemelen ontmoette. Via hem was hij in staat het pure leven in de boma (kraal) van Lemelen te ontdekken, waar alles van iedereen is en het leven één is met de natuur. Hij brengt er veel tijd door, slaapt er in het hutje van de moeder van Lemelen en trekt op met de morans, deelt hun lief en leed en kameraadschap.

Samen maken Lindijer en Lemelen een reportagereis naar de havenstad Mombasa en omgeving als er in Kenia verkiezingen in aantocht zijn. Niet lang na elkaar vinden beiden een vrouw en krijgen ze allebei een zoon. Bij mensen uit dezelfde cultuur zouden deze gemeenschappelijke ervaringen de band versterken. Bij Lemelen en Koert Lindijer accentueert het echter de verschillen in achtergrond en zet het de vriendschap onder druk.

Paspoort

Als klap op de vuurpijl laat Lindijer Lemelen ook nog kennismaken met zijn eigen 'stam' door hem mee te nemen naar Amsterdam. Niet zonder administratieve moeilijkheden overigens, want Samburu's leven gewoonlijk zonder papieren en kunnen dus ook niet zonder meer een paspoort krijgen.

Maar ook het Amsterdamse bezoek draagt ertoe bij de verschillen aan te scherpen. Lemelen kan zich onmogelijk thuisvoelen en de conversatie met hem levert moeilijkheden op. In zijn element blijkt hij pas te zijn tijdens een bezoek aan een 'collega'-veehouder ergens in de Noordhollandse polder, waar hij op het eerste gezicht feilloos gezonde van zieke koeien onderscheidt.

De vriendschap blijft niettemin bestaan. Maar Busukée, Lemelens moeder, vat de situatie als volgt samen aan het eind van het boek: “Sinds je Lemelen leerde kennen, nam zijn kennis toe”, begint ze. “Vele Samburu's gingen hem voor naar Nairobi. Ze verdwaalden. Ik zag hoe velen van hen verward raakten tussen twee werelden. Mijn zoon raakte niet zoek. Hij leerde door jou de cultuur van die andere wereld begrijpen.”

“Lemelen zou terug moeten keren naar de boma”, vindt Busukée. “Het is slecht als daardoor jullie o-sutwa (vriendschap) zou verdwijnen. Maar toen jullie elkaar vele jaren geleden in Nairobi ontmoetten, toen waren jullie nog morans, nu hebben jullie families. Daarom moet Lemelen thuiskomen.”

Ze kijkt droevig. “Jullie allen zijn mijn zonen”, verklaart ze plechtig. “Jij blanke hebt ons veel kennis gebracht. Een vriendschap mogen jullie nooit verbreken, niets is zo voornaam als vriendschap. Ik raakte aan je gewend, je bent mijn zoon geworden. Ik wil je niet meer missen. Jij moet in onze wereld komen wonen. Anders zullen we je kwijtraken.”

Gevoel

Lindijer is een van mijn favoriete correspondenten. Uit zijn stukken blijkt dat hij Afrikaan met de Afrikanen kan zijn en tegelijkertijd in staat is afstand te bewaren, scepsis in te bouwen en analytisch te blijven. Zijn betrokkenheid is evident, maar speelt hem geen parten. In Een kraal in Nairobi gaat hij echter een stap verder en maakt hij als het ware zijn betrokkenheid zelf tot onderwerp van een boek.

Het leverde een sympathiek verhaal op. Maar het verlaten van de afstandelijkheid brengt hem wel eens in de gevaarlijke 'grijze zone' tussen literatuur en journalistiek, waar iedere journalist die zichzelf ten tonele voert voor op zijn hoede moet zijn. Soms had hij misschien beter kunnen registreren en de gebeurtenissen voor zichzelf kunnen laten spreken, zoals in het verhaal van Lemelens bezoek aan Amsterdam. Dan is hij naar mijn smaak te weinig de literator die uit de details een verhaal construeert en iets te veel de verslaggevende journalist.

Aan de andere kant laat hij zich soms erg op sleeptouw nemen door zijn gevoel. Zo hebben zijn beschrijvingen van de onbedorven Samburu-levensstijl vaak een ondertoon van bewondering die, om het oneerbiedig te zeggen, een vleugje herinnering oproept aan Winnetou en Old Shatterhand. En vreemd is dat hij net zo bewonderend blijft in zijn beschrijving van de enkele Samburu-jongen die de stamoudsten trotseert en zijn morantijd niet besteedt aan het hoeden van het vee, maar om naar school te gaan. Hier had Lindijer nu juist niet moeten registreren maar vragen moeten stellen. Onderwijs legt toch de bijl aan de wortel van het Samburu-bestaan - of is het denkbaar dat er boma's ontstaan van hutjes gevuld met boekenkasten?

Deze manco's maken dat Een kraal in Nairobi iets inboet aan spanning en soms wat lief overkomt. Maar het verhaal van de vriendschap tussen de ex-discjockey van Paradiso en de veehouder van de steppe is er natuurlijk niet minder uniek om.