Vis is emotie; Turbovissers uit Galicië worden van de wereldzeeën geweerd

De Spaanse vissers voelen zich vernederd door Brussel, na het akkoord met Canada waarbij de vangst op heilbot is beperkt. Tot hun ergernis merken de vissers uit Galicië dat ze als de piraten van de zeven zeeën worden gezien. In Vigo, de grootste Europese haven van de lange afstandsvloot, groeit de zorg nu 'kanonneerboot-politiek' in internationale wateren kennelijk vruchten afwerpt.

Het sombere geroffel galmt langs het graniet van de smalle straten van Cangas de Morazo. De processiegangers van de broederschap, met hun paarse puntkappen anoniem en ongenaakbaar, lopen geconcentreerd op het ritme van de trommels. Oudere vissersvrouwen met zorgelijke gezichten begeleiden de stoet. Kleine vrouwen in jurken met fletse bloempatronen, sommigen blootsvoets, een kaars die bijna even groot is als ze zelf zijn stevig in de handen geklemd.

Daarachter volgt de draagbaar met het beeld van de Maagd van de Smarten. Het baldakijn boven haar hoofd zwiept gevaarlijk heen en weer door de zwalkende pas van de dragers. Hier geen gevaarte van duizenden kilo's dat met meer dan honderd man voortgesjouwd moet worden, zoals in Sevilla of Malaga. De maagd van Cangas moet het hebben van haar eenvoud. Ze heeft genoeg aan zestien dragers, maar met haar goudbestikte blauwe mantel en witte bloemenpracht aan haar voeten, is de troost die zij uitstraalt er niet minder om.

Cangas, een vissersstadje aan de kust van Galicië, kan wel wat troost gebruiken. De geur van de eerste bosbranden in de bergen boven het stadje verdringt die van het wier op de drooggevallen rotsen in de haven. Maar de grootste zorg is vis. Cangas leeft van vis en schaaldieren, zoals alle dorpen en stadjes rond de Ría van Vigo, de diepe inham van de zee, met zijn gele stranden en ruisende bossen van den en eucalyptus. De vis is er een verslaving. Generaties verdienden hun brood op het water en vrijwel iedereen is ervan afhankelijk. In de haven liggen de kleine sloepen waarmee voor de kust wordt gevist, even verderop is de kade waar de grotere vriesschepen afmeren. Aan de tientallen brede houtvlotten, die als een uitgestrekte invasievloot in de nevelige baai drijven, hangen de strengen touw waar de mosselen en oesters aan worden gekweekt.

Als geen andere regio in Europa leeft Galicië van de zee. In de omgeving van Vigo is een van de vijf banen, in totaal zo'n 20.000 arbeidsplaatsen, direct verbonden aan visserij, conservering en handel. Slechts dertig procent van de vangst is afkomstig uit de Spaanse kustwateren. De honderdtien grote vriestrawlers uit de baai van Vigo bevaren de visgronden van alle wereldzeeën. Vigo is daarmee Europa's grootste uitvalsbasis voor de lange-afstandsvloot. Er arriveert zwaardvis uit Chili, heek uit Mauretanië, calamares van de Falklands en tonijn uit de oceaan bij Madagascar. Het kilometers lange havenfront van Vigo is een van 's werelds belangrijkste overslagpunten voor diepgevroren vis: afgelopen jaar werd ruim 300.000 ton gelost om in containers over de rest van de wereld te worden verspreid.

Piraterij

De vraag is alleen voor hoe lang nog. Want wat in eigen kring trots gepresenteerd wordt als een staaltje van Spaanse ondernemingszin en doorzettingsvermogen wordt over de grens steeds vaker afgedaan als piraterij en plundering van de slinkende visvoorraden. Nadat de onderhandelingen zich wekenlang hadden voortgesleept, werd begin deze week een akkoord gesloten over de verdeling van de hoeveelheid heilbot die gevangen mag worden voor de kust van New Foundland. Terwijl de Canadese vissers hun quotum voor dit jaar verdubbeld zagen, moest Spanje genoegen nemen met een vangst die in een klap terugging naar minder dan een derde van de vangst van 1994.

Vijand nummer een heet Brian Tobin en is minister van visserij in Canada. Zijn naam staat voor list en bedrog sinds hij keer op keer voor de camera's een ondermaatse platvis tevoorschijn toverde als bewijs dat Spaanse vissers bezig waren de kraamkamers van de oceaan leeg te vissen. “Het was geen heilbot maar een schol. En hij was niet uit ons ruim, want kop en staart zaten er nog aan. Iedereen met een beetje verstand van visserij kon dat onmiddellijk zien.” Kapitein Enrique Davila (38) laat van wanhoop en verontwaardiging zijn handen met een klap op de keukentafel vallen, terwijl hij zijn kinderen nog eens tot stilte maant. “Ik ben maandenlang weg geweest, dan zijn ze altijd wat opgewonden als ze me weer zien.”

Vanuit het raam van zijn flat kijken we uit over de daken van Cangas. Aan de andere kant van de baai, in de haven van Vigo, ligt zijn boot, de Estai, veilig voor anker. Begin maart werd Davila in een klap een landelijke beroemdheid nadat de Canadese marine de Estai in internationale wateren voor de mistige kust van New Foundland enterde en opbracht naar de haven van St John's.

Het was een val, een opzetje, een list, zegt Davila. “We waren aan het vissen toen ze aankwamen. Ze probeerden aan boord te komen, we vroegen waarom en kregen geen antwoord. We waren nerveus, logisch. Er hingen mistbanken en op volle zee is het een gevaarlijke situatie als twee boten zo dicht bij elkaar komen zonder radio-overleg. Vier, vijf uur hebben ze ons gevolgd, ze probeerden de kabels door te varen en losten een aantal waarschuwingsschoten. Om beter te kunnen manoeuvreren hebben we het net moeten kappen. Toen ze ons bleven lastigvallen hebben we op zo'n 250 mijl van de kust de boot stilgelegd.” Met z'n dertienen kwamen ze aan boord, vertelt Davila, gewapend met mitrailleurs hielden ze hem en zijn bemanning onder schot. Er zaten inspecteurs bij die in januari nog aan boord waren geweest en de lading en de netten hadden goedgekeurd. “Nu zeiden ze dat Spanje zijn quotum voor de heilbot had volgevist en we dus in overtreding waren. Ik geloofde niet wat ik hoorde.”

Naarmate het gesprek vordert wordt Davila opgewondener. Grote indringende ogen, stem op orkaanvolume. Hij vertelt hoe ze naar de haven van St John's werden gebracht. Hoe hij terecht moest staan wegens illegale vispraktijken, nota bene onder het portret van koningin Elisabeth, een Europees staatshoofd. Over de 350 ton heilbot die ingevroren en wel in Canadese handen bleef. Over de slappe manier waarop de Europese Unie zich in de luren liet leggen met verhaaltjes over de ecologie, terwijl het toch om een verdeling van een afgesproken hoeveelheid ging. En over de schunnige manier waarop de Britse pers zijn woorden verdraaide en niet Canada, maar Spanje afschilderde als een stelletje zeerovers.

Waarom slikt iedereen toch die verhalen van die Canadees met zijn nepvis voor zoete koek? Natuurlijk bestond een klein deel van de voorraad in het ruim uit ondermaatse bijvangst. “Wat wil je als je al een half jaar op zee zit?”, aldus Davila. “Verboden is dat niet.” En dat illegale net dat volgens de Canadezen van de zeebodem was opgevist en op de stoep van de Verenigde Naties van New York werd uitgespreid? “Wie zegt dat dat het net van de Estai was? Ze hebben het van twee kilometer diepte op moeten vissen. Er liggen wel meer netten op de bodem van de zee. Onze netten en de logboeken, alles was in orde.” Natuurlijk wordt er wel eens gesjoemeld, geeft de kapitein ruimhartig toe, niemand is een heilige, ook de Canadezen zelf niet trouwens. “Die Tobin is een schurk, het enige wat ik toe moet geven is dat hij de zaken goed weet te presenteren”, buldert Davila door de keuken.

Graniet

Op de centrale markt, vlakbij de haven met zijn kleine rood-blauwe vissloepen, geurt het naar het zilt van verse rog, zeebarbeel en maasbanker die uitgestald liggen op het graniet van de lange toonbanken. Vissersvrouwen dragen op hun hoofd manden met sardientjes aan. Er zijn cigala-kreeftjes, garnalen en krabben. Liefhebbers van exotisch zeebanket kunnen er terecht voor de scheermes en de zeldzame percebes, de vreemde kruising tussen een krab en zee-anemoon, die op de rotsen in de branding groeit. In de restaurants bespreken de vissers de prijzen of de plannen voor de komende weken.

Vis is emotie. Nadat de Estai werd gekaapt trokken honderdduizend betogers, ongeveer een derde van de lokale bevolking, door de straten van Vigo. Vanuit Cangas ondernamen duizenden demonstranten de tocht naar het verre Madrid om de ambassade van Canada met eieren te bekogelen. De Spaanse regering stuurde drie oorlogsbodems naar de kust van Newfoundland om de trawlervloot te beschermen tegen verdere agressie. Het uiteindelijk akkoord met Canada werd door heel Galicië - van links tot rechts en van matroos tot kapitein - omschreven als een vernedering. “Golven van xenofobie tegen Galicië”, zo kopten de lokale kranten. In de cafés en restaurants rond Cangas, waar de harsige wijn uit witte stenen kommen wordt gedronken, was de overeenkomst het gesprek van de dag. “Heeft Spanje uiteindelijk niet zijn broek laten zakken? Gaan we niet af voor het oog van de wereld?”, meent een oudere man, terwijl hij driftig zijn zware Ducados-sigaret op de granieten vloer uittrapt.

Galiciërs, zegt de rest van Spanje, zijn een bijzonder slag. Men spreekt er het zangerige Galicisch - een taal die met sissende klanken dicht tegen het Portugees van hun zuiderburen aanleunt. De Galiciërs vormen een gesloten gemeenschap. Ze zullen niet snel het achterste van hun tong laat zien, zo wil de reputatie. Van een Galiciër die je op de trap tegenkomt, zeggen Spanjaarden, weet je nooit of hij naar boven, of juist naar beneden gaat. Wantrouwend wordt een vraag met een wedervraag beantwoord, onderhandelen met Galiciërs is een moeizame aangelegenheid.

De kronkelige kuststrook kent een lange traditie van smokkel. Op de stranden aan de grillige ría's brengen de belangrijkste narco-bendes van Spanje hun waar aan land. Maar Galiciërs kunnen ook hard zijn als het beroemde graniet waarvan hun huizen, kerken, opslagschuren en graftomben zijn opgetrokken. Franco werd er geboren, de ouders van Fidel Castro komen er vandaan. Ze zijn niet gewend hun hand op te houden en zwermden de afgelopen eeuwen over heel Zuid-Amerika uit om hun fortuin te zoeken. In Argentinië is een Spaanse immigrant een “Gallego”, ongeacht of hij nu uit Andalucië of Madrid afkomstig is.

Rederij

“Mijn vader was de beste sardientjesvisser van het hele dorp”, glundert Manuel Gandon, een gebruinde vijftiger, geboren en getogen in de visvangst. Net als veel andere reders uit de baai van Vigo komt hij uit een van de dorpen rond Cangas. Hun vriestrawlers dragen de namen van de stranden en baaien uit de buurt. Energiek vertelt Gandon hoe hij samen met zijn twee broers de familietraditie uitbouwde tot een rederij met vijf grote trawlers en zo'n honderddertig man in dienst.

Een bezoek aan het huis van Manuel Gandon zorgt voor een kleine verrassing. In de smalle straatjes van Cangas, achter de oude kerk waar de Maagd van de Smarten haar thuishaven heeft, ligt de toegangspoort. Erachter, voorbij het speurend oog van een televisiecamera en aan het eind van tientallen meters tuin, doemt een fonkelnieuw paleis op dat in neoklassieke stijl, compleet met een enorme fries, is opgetrokken uit gepolijst graniet. Binnen veel zware meubelen, porseleinen beeldjes en schilderwerkjes met vissersvrouwen en landschappen van lokale artiesten. Net als veel andere vissers uit Cangas hebben de gebroeders Gandon niet slecht geboerd.

De gast wordt getrakteerd op Sint Jacobsschelp, gevolgd door gepaneerde tong. De tijden van sardien en tonijn uit de lokale kustwateren zijn lang voorbij. De vriesschepen, waarvan de eerste exemplaren begin jaren zestig van de helling in Vigo kwamen rollen, luidden een geheel nieuwe ontwikkeling in. De eerste diepgevroren vissen zorgden voor de nodige opschudding op de markt van Vigo. Vrouwen smeten de hardgevroren visfilets tegen de grond om te laten zien dat het net stukken hout waren. Wie at er nu iets dat een half jaar of misschien wel langer geleden was gevangen? “Deze vis is verser dan de verse”, zo luidde de slogan waarmee de eerste stoutmoedige reders de onwillige consument mee over de streep trachtten te trekken.

Het bleek een doorslaand succes. De vis was inderdaad vers. En bovendien was het door de vriestechniek mogelijk geworden vrijwel alle internationale wateren te bevissen. De Galicische vissersboten zwermden uit over de hele wereld. De Spaanse vloot neemt inmiddels samen met die van Japan, Rusland, Polen, Korea en Taiwan het grootste deel van de vangst op volle zee voor haar rekening. Dertig procent van de Europese vissersvloot is in Spaanse handen. Steeds verder trokken de vissers van de rederij Gandon weg van hun thuishaven in de lieflijke baai van Vigo.

De vangst op de heilbot in internationale wateren voor de Canadese kust kwam vijf jaar geleden op gang, nadat de visgronden met heek voor de kust van Namibië niet langer benut konden worden. Voordat de vissers uit de baai van Vigo kwamen, was er weinig belangstelling voor de heilbot uit de onherbergzame wateren bij New Foundland. De platvis zwemt op dieptes van meer dan 1500 meter, wat de vangst er niet eenvoudiger op maakt. Met speciale apparatuur en vistechnieken wisten de Galiciërs de heilbot tot een commercieel succes te maken. Vooral de Japanse markt bleek belangstelling te hebben voor de vis, met zijn betrekkelijk neutrale smaak en blanke vlees.

“Kijk, deze dieptesonde hebben we net gekocht”, zegt broer Avelino Gandon. Trots klopt hij op het apparaat in de doos met piepschuimvlokken. We zijn aan boord van de hektrawler Esperanza Menduiña in de haven van Cangas. Het vijfentachtig meter lange vriesschip is juist terug van een heilbot-expeditie in Canada. De brug van de boot is als een ruimteschip volgepakt met moderne apparatuur. Plotters, radar, fax en gedigitaliseerde kaartleesapparatuur hebben de sextant en seinsleutel definitief verdrongen. Het beeldje van de Virgen del Carmen, beschermvrouw van de vissers, hangt enigszins verloren tussen de elektronika.

Een vriesschip is eigenlijk een drijvend dorp, had Manuel Gandon al verteld. Zesentwintig mannen zitten hier een half jaar lang opgesloten. Benedendeks, in de buik van de boot waar een zwaar luchtmengsel van stookolie en vis hangt, is een complete fabriek ingericht. Avelino Gandon wijst op de transportbanden die de vers gevangen vis naar de apparatuur brengt waar de kop en staart wordt afgesneden en de ingewanden worden verwijderd. Vriesplaten en koeltunnels brengen de vis in tot een graad of dertig onder nul. Verpakt en wel verdwijnt de vangst vervolgens in de enorme vriesruimten van de boot.

Op het achterdek staan de haspels die met hun 450 paardekrachten de bijna drie centimeter dikke staalkabels trekken waarmee de netten over de bodem worden gesleept. Tijdens de laatste reis hebben Canadese patrouilleboten tot vier maal toe geprobeerd de kabels door te varen. “Als zo'n kabel losslaat zwiept hij terug en kan iedereen op het achterdek dood slaan”, zegt Avelino Gandon.

Zeeslagen

Het is vooral het succes van de Canadese kannoneerboot-politiek die Spanje dwars zit. Want afgezien van het directe gevaar voor mensenlevens zouden andere landen wel eens op het idee kunnen komen om eveneens hun vloot af te sturen op de Spaanse vissers. Wat blijft er over van de principes van de vrije zee als een land met grof geweld de regels van de internationale wateren met voeten treedt? En wat blijft er voor Spanje over aan visgrond, nu de Europese Unie niet erg bereid blijkt voor deze belangen in het krijt te treden?

Want niet alleen met Canada heeft Spanje het aan de stok. De afgelopen weken werden Spaanse vissers en hun boten opgebracht in Ierland, Groot-Brittannië en Frankrijk op beschuldiging van illegale vispraktijken. Vorig jaar vormde de blauwvin-tonijn de aanleiding voor regelrechte zeeslagen tussen Frankrijk en Spanje, compleet met geramde vissersboten en schietpartijen op het water.

Hoewel de Spaanse vloot het afgelopen jaar al fors inkromp en zelfs voorloopt op het saneringsschema van de Europese Unie, is de lijst met de komende zeeslagen nu reeds op te maken. Deze maand moet het bestaande visserij-akkoord tussen de Europese Unie en Marokko vernieuwd worden; de onderhandelingen verlopen uiterst moeizaam. Argentinië kijkt al jaren bezorgd naar de vangst op pijlinktvis voor hun kust. Nieuwe zeeslagen met Frankrijk rond de ansjovis en tonijn in de Golf van Biskaje liggen in het verschiet. En het enthousiasme waarmee de Britten de kant van Canada kozen in het heilbot-conflict wordt in Spanje gezien als de generale repetitie om de Spaanse vloot begin volgend jaar definitief uit betwiste viswateren bij Ierland te weren. We lopen met Manuel Gandon over de houten vlonders die een langgerekte promenade vormen langs het strand van Cangas. Hier maakt hij vaak een wandeling om nieuwe plannen te bedenken voor zijn boten, over nieuwe miljoenen-investeringen en de komende campagnes. Zijn vrouw vindt dat hij de vis af en toe uit zijn hoofd moet zetten. Om te schilderen bijvoorbeeld, maar aangezien hij meestal boten verft was dat geen succes. Nu met die toestand met de heilbot weet hij het even niet meer. Misschien valt er nog iets te doen met platvis uit de Barentsz-zee. Of met rog, of toch maar weer inktvis bij de Argentijnse kust. “Hoe ik de toekomst zie? Zwart als de rug van een heilbot”, zegt hij somber.

Ook bij kapitein Enrique Davila leeft weinig hoop. Door te studeren is hij opgeklommen van matroos tot kapitein. Zijn betoog ebt weg als hij over het leven aan boord vertelt. Het is een hard bestaan, de zee voor Canada is ruig, de temperaturen rond het vriespunt. Een half jaar lang opgesloten tussen dezelfde koppen, met hetzelfde eten en hetzelfde uitzicht. Maar een andere baan op zijn leeftijd zit er niet meer in: waar zou zijn familie van moeten rondkomen? “De zee is voor ons geen roeping, het is een plicht.”