Turkije heeft 'Koerdisch parlement' zelf uitgelokt

De oprichting van het Koerdische parlement in ballingschap vorige week woensdag in Den Haag, is de oorzaak van een diplomatieke crisis tussen Nederland en Turkije, die de gemoederen in beide landen sterker verhit dan aanvankelijk leek.

Nederland van zijn kant hamert erop dat het Koerdische parlement in ballingschap niet wordt erkend, laat staan dat er officiële contacten worden onderhouden met de 65 afgevaardigden. Den Haag onderstreept bovendien dat het de Koerdische Arbeiders Partij (PKK) wel degelijk beschouwt als een terreurorganisatie. Maar de in de grondwet verankerde vrijheid van meningsuiting en van vereniging verhindert de regering om tegen een internationaal politiek platform op te treden zolang deze de wet niet heeft overtreden. Minister van buitenlandse zaken Van Mierlo beschikte formeel niet over juridische middelen om de oprichtingsvergadering op 12 april in Den Haag te verhinderen.

Turkije staat daarentegen op het standpunt dat de tolerante Nederlandse houding weliswaar lovenswaardig is, maar dat er situaties denkbaar zijn waarin andere criteria, in dit geval de bestrijding van internationaal terrorisme, hadden moeten prevaleren. Voor Ankara stond het van het begin af aan vast dat het Koerdische parlement in ballingschap slechts een façade is voor de separatistische PKK om zich politiek in Europa te kunnen manifesteren. Dat op papier slechts 12 van de 65 afgevaardigden tot de politieke arm van deze organisatie behoren, doet daaraan niets af. Nederland wordt in dit opzicht een naïeve houding verweten.

Turkije bestempelt Nederland wat al te eenzijdig als zondebok. Ook in enkele voorzichtige commentaren in de Turkse kranten wordt de vraag opgeworpen of Ankara zelf de oprichting van dit Koerdische parlement in ballingschap niet heeft vergemakkelijkt. Het heeft immers de officiële Koerdische politieke partij, de HEP, verboden (en vervolgens haar opvolgers DEP en HADEP), de parlementaire onschendbaarheid van de Koerdische afgevaardigden opgeheven, en vervolgens hen voor het Staatsveiligheidshof vervolgd. Zes van hen zitten nu gevangenisstraffen tot vijftien jaar uit; twee zijn op vrije voeten. Zes anderen weken tijdig uit naar België om vanuit Europa de strijd voor democratische rechten voor het Koerdische volk voort te zetten.

De PKK werd hierdoor in staat gesteld om een al eerder beproefd, maar grotendeels mislukt plan voor de oprichting van een Koerdische vertegenwoordiging in ballingschap, opnieuw op te poetsen door samenwerking te zoeken met de uitgeweken Koerdische parlementariërs. Het feit dat de oud-voorzitter van de DEP, Yasar Kaya, is gekozen tot voorzitter van het Koerdische parlement in ballingschap en een afgevaardigde van de DEP, Zubeyr Aydar, tot voorzitter van de Uitvoerende Raad, onderschrijft dat de PKK er veel aan gelegen is om dit Koerdische platform een democratisch imago te geven. De PKK verschuilt zich zo achter de DEP om makkelijker internationale erkenning af te dwingen.

In Turkije wordt wel geopperd dat als de DEP-afgevaardigden nog in het Turkse parlement hadden gezeten, de PKK toch wel over zou zijn gegaan tot een heroprichting van een Koerdisch parlement in ballingschap. Maar in dat geval zou het voor het Westen veel duidelijker zijn geweest dat het een initiatief van een separatistische organisatie betreft. De oprichtingsvergadering ervan zou dan ook in Nederland heel wat kritischer zijn bekeken.

Met het verbod van de pro-Koerdische partijen maakt Turkije het naar voren treden van een gematigde Koerdische gesprekspartner en een politieke oplossing van de Koerdische kwestie onmogelijk. Door deze harde opstelling wordt het vraagstuk van de Koerden verengd tot een probleem van separatisme en terrorisme dat met wapengeweld kan worden neergeslagen. Wellicht kan het Koerdische parlement in ballingschap, nu het toch een feit is, als katalysator fungeren. Turkije zou moeten erkennen dat de Koerden hun politieke rechten hebben - anders zullen de meer radicale krachten binnen de Koerdische gemeenschap van de democratische vrijheid in Europa gebruik maken om langzaam maar zeker internationale erkenning af te dwingen.

De vraag blijft waarom Van Mierlo bijvoorbeeld het parlement of anders de commissie buitenlandse zaken, niet in een vroegtijdig stadium op de hoogte heeft gebracht dat het Koerdische parlement in ballingschap in Nederland werd opgericht. Hij was er immers van op de hoogte hoe gevoelig de kwestie van de PKK niet alleen in Turkije zelf ligt, maar ook bijvoorbeeld in het buurland Duitsland waar de Koerdische terreur een steeds groter probleem wordt, en in de grote Turkse gemeenschap in Nederland zelf. Evenmin lijkt de zaak te zijn besproken binnen de Europese Unie, waarvan de ministers van buitenlandse zaken twee dagen voor de oprichtingsvergadering in Luxemburg bijeen waren. Althans, er is in Luxemburg geen gezamenlijk standpunt bepaald. Nu blijft het onduidelijk welke houding de EU-partners aannemen met betrekking tot het diplomatieke conflict tussen Nederland en Turkije. Dat geeft Turkije niet alleen de mogelijkheid om Nederland als de grote zondebok af te schilderen, maar ook om het met politieke en economische sancties eenzijdig onder druk te zetten.