Technisch directeur Van Maaren over de toverformule van zijn marathon; Parkoers met dirigent en zonder putdeksels

ROTTERDAM, 22 APRIL. Als morgen de winnaar van de marathon de finish op de Coolsingel nadert, kijkt Dick van Maaren naar de zijkanten van de weg. “De finish is een van de cruciale momenten. Die beelden gaan de hele wereld over. Dan mag er geen motor verkeerd rijden, mogen er geen toeschouwers op het parkoers komen.” Van Maaren is voor het achtste jaar technisch directeur van de Port of Rotterdam Marathon; hij is een van de tientallen vrijwilligers die het evenement mogelijk maken en hij draagt de verantwoordelijkheid voor het uitstippelen en het schoonhouden van het parkoers.

Rotterdam is de snelste marathon van de wereld. Van Maaren moet het geheim weten. Waarom liep de Ethiopiër Belayneh Densimo in 1988 zijn wereldrecord van 2.06,50 in Rotterdam en liepen Salah uit Djiboeti en de Portugees Lopes in Rotterdam de tweede en derde tijd van de ranglijst aller tijden? Waarom zijn hun records nog niet verbeterd in New York, Boston, Londen, Tokio of Berlijn, marathons die met een veel groter budget toppers kunnen werven?

Het geheim is enkel en alleen de organisatie, zegt Van Maaren. Vorig jaar in New York en in Amsterdam werd de winnaar vlak voor de finish nog even de verkeerde kant opgestuurd. “Dat gebeurt niet in Rotterdam, nooit.”

Het ideale parkoers bestaat niet, vertelt hij een paar dagen voor de wedstrijd. De 71-jarige, maar veel jonger ogende Barendrechter zit achter zijn bureau in het Feyenoord-stadion, waar het kantoor van de marathon verscholen ligt onder de tribunes. Hij is al weken aan het regelen en rijdt bijna dagelijks het parkoers langs om te controleren of alles naar wens verloopt. Vlak voor het gesprek belt hij nog even met gemeentewerken. Hij heeft ergens een gat van 15 centimeter ontdekt. Het wordt verholpen.

Het parkoers is een optelsom van details, zegt hij. De weg, de bochten, de wind, het publiek en de sfeer, de gaten en obstakels, de bereikbaarheid van ziekenhuizen, de atleten en de dirigent van de koers. “Wij doen niets meer dan het creëren van ideale omstandigheden. Een hotel waar de buitenlandse atleten naast de deur kunnen trainen. Die jongens voortdurend op hun gemak stellen. En het parkoers is daar slechts een onderdeel van.”

“Het ideale parkoers, zou je denken, is vlak. Maar het blijkt dat een wisseling, met lichte stijging en lichte daling, toch beter is. In Rotterdam hebben we bijvoorbeeld de Willemsbrug, die zit aan het begin en op 22 kilometer. Dat breekt de monotonie. De lopers moeten een paar keer hun pas wisselen. Verder moet het parkoers - ik heb zelf ook een paar keer meegedaan - 'lekker' lopen. Met lekkere, ruime bochten. Liefst alles asfalt, maar dat hebben we helaas niet.”

Ieder jaar verandert er wel iets aan het parkoers, omdat Rotterdam nu eenmaal een stad in beweging is en voortdurend aan het verbouwen is. Maar het huidige parkoers is hetzelfde als dat van vorig jaar. Voor volgend jaar staat er één wijziging op het programma: de nieuwe Erasmus-brug is te mooi om niet te gebruiken.

“Het ideale parkoers is vooral leeg en schoon. Wij zorgen altijd dat het volledig vrij is van verkeer en publiek. Het afval wordt 's ochtends om zes uur nog van de straten geveegd door de Roteb. Dat is uniek in de wereld. Daarna gaat de 'gaatjes-ploeg' van de gemeente het hele parkoers langs om alles te dichten. Er mogen geen obstakels in de weg zitten. Geen scheuren en putdeksels. Als er een paal in de weg staat, halen we die er uit. Er komen touwen te liggen langs de tramrails. Als er een waterleiding breekt, staat er een noodploeg klaar met een pomp om het water weg te pompen.”

Om te zorgen dat het parkoers precies 42,195 kilometer lang is, stapt Van Maaren kort voor de wedstrijd op een fiets vol meetinstrumenten. Hij volgde zelf een cursus in Londen en is een gekwalificeerd meter. “Voordat je de controleur van de atletiekunie het parkoers oplevert, moet het wel kloppen. Dit keer kwam ik 35 meter te kort. Maar daarvoor hebben we een 'keerlus' liggen, linksonder op de kaart, bij Oldegaarde. Dat is het elastiek, waarmee we de afstand aan kunnen passen.”

De eindtijd van de winnaar, zegt Van Maaren, is afhankelijk van de vorm van de dag bij de gecontracteerde atleten. “Zoveel sneller dan in andere steden zijn we nu ook weer niet. We hebben een uitschieter gehad met Densimo in 1988, mijn debuut als technisch directeur. Maar je praat over seconden op een afstand van ruim 42 kilometer. Hooguit een minuut. Wat is een minuut? Dat is 300 meter.”

Hij heeft inmiddels alle grote concurrenten van Rotterdam aan het werk gezien. Er zijn wel degelijk verschillen aan te geven. In Berlijn is de start 30 meter breed. In Rotterdam biedt de Coolsingel slechts 10 meter ruimte, waardoor Nederlans grootste marathon gebonden is aan een maximum deelnemersaantal van 10.000. Berlijn heeft ongelijkvloerse kruisingen, waardoor de ziekenhuizen en bejaardenhuizen in noodgevallen altijd bereikbaar blijven, wat in Rotterdam steeds een zorg blijft voor Van Maaren. In New York lopen alle straten parallel, wat de situatie voor het gewone verkeer een stuk eenvoudiger maakt. In Rotterdam wordt is autorijden morgen vrijwel onmogelijk.

“Heel veel marathons - New York, Berlijn, maar ook de Westland-marathon - hebben een schitterend parkoers. Maar het gaat er om wat je met dat parkoers doet. Bij de Westland-marathon is er nauwelijks publiek. Wij hebben dertig muziekbandjes langs de kant staan en trekken tienduizenden toeschouwers. De marathon van New York is door zijn ambiance en uitstraling misschien wel de mooiste in de wereld, maar het lukt ze daar nooit om de winnaar in de 2.07 of 2.08 te laten lopen. Ze hebben te veel van die grote, hoge bruggen in het parkoers liggen. In Londen geven ze een veelvoud uit aan startgeld voor lopers, maar komen ze ook niet aan een tijd van 2.08.”

Waarom niet? Wat is het geheim van de Rotterdam marathon? Pas aan het slot van zijn betoog geeft Van Maaren de toverformule prijs. “Het belangrijkste voordeel dat Rotterdam heeft, is de dirigent. Jos Hermens, die verantwoordelijk is voor het atletenveld, weet precies hoe hard iemand kan gaan en hoe hard iemand moet gaan. Dat bewees hij bijvoorbeeld vorig jaar. De winnaar, Vincent Rousseau, liep de eerste halve marathon in 1.04 en de tweede helft sneller, in 1.03. Met de hazen, de tempolopers, stuurde Hermens de Belg feilloos naar een wereldtijd van 2.07.”