Statistiek

Op 11 april las ik het stuk 'Nederlandse jeugd zit lang op school'. De daarin gepresenteerde cijfers stoorden mij. Niet de cijfers zelf, maar de vorm waarin die gegoten waren. In het begin van het stuk worden allerlei getallen gegeven over de onderwijsinspanningen van leerlingen in verschillende landen. Het blijkt dat de Nederlandse leerling veruit het langst op school zit wanneer dit vergeleken wordt met collega-leerlingen in andere OESO landen. Zowel het aantal jaren onderwijs als het aantal uren per jaar is hoger dan in enig ander land. Voorts wordt gesuggereerd dat de Duitse jeugd meer uren op school zit dan de gemiddelde OESO jeugd. Dan wordt een vergelijking gemaakt tussen de samenstellingen van de onderwijsprogrammma's in de verschillende landen. Het blijkt dat in Nederland veel onderwijs in vreemde talen wordt gegeven en relatief weinig tijd wordt besteed aan wiskunde. Er wordt gesteld dat in andere landen dat aandeel veel hoger is.

Hier ligt mijn grief. Relatieve cijfers zeggen namelijk niets overde absolute inspanning. In Duitsland is het aandeel van wiskunde 12 procent, tegen 8 procent in Nederland. Op het eerste gezicht een behoorlijk verschil (in Duitsland ligt het wiskunde aandeel 50 procent hoger dan in Nederland). Indien de absolute cijfers berekend worden dan verandert dit plaatje behoorlijk. De wiskunde-inspanning van Nederlandse 14-jarigen ligt ongeveer 8 procent lager dan de inspanning van de Duitse pubers (96 respectievelijk 104 uur per jaar). Voeg daarbij het feit dat de Duitse jeugd een bovengemiddeld aantal uren op school zit. Conclusie is dan dat in Nederland ongeveer evenveel aan wiskunde wordt gedaan als in het bovengemiddelde OESO-land. Daarbij wordt veel tijd besteed aan vreemde talen.

Dit stuk over onderwijs is slechts een van de voorbeelden waarin duidelijk wordt dat journalisten en statistieken elkaar niet begrijpen.