Rechter dwingt inrichting tot plaatsing jongen

DEN HAAG, 22 APRIL. Een 16-jarige zwakbegaafde jongen uit Rotterdam moet worden opgenomen in de gesloten jeugdinrichting Groot Emaus in Ermelo - plaatsgebrek of niet. De Haagse rechtbank heeft dit gisteren in kort geding geoordeeld.

Het kort geding was aangespannen door de Stichting Jeugdbescherming Rotterdam/Dordrecht (SJR) tegen het ministerie van volksgezondheid. Volgens de rechtbank is de overheid wettelijk verplicht te zorgen voor voldoende behandelplaatsen voor mensen die op last van justitie moeten worden opgenomen.

De Haagse rechtbank heeft bepaald dat de jongen binnen zes weken moet worden toegelaten. De SJT eiste dat de zwakbegaafde jongen binnen een maand moest worden opgenomen. De toestand van de jongen gaf daar alle reden toe, maar er was geen plaats beschikbaar. De 16-jarige Rotterdammer vertoont gedragsstoornissen en begeeft zich op het criminele pad. Begin maart bedreigde hij iemand bij een geldautomaat met een mes. De SJR stuitte niet voor de eerste maal op het gebrek aan plaatsen en besloot het ministerie van volksgezondheid voor de rechter te dagen.

In de motivering van het vonnis oordeelde de rechter dat de overheid wettelijk verplicht is te zorgen dat kinderen die op last van de rechter uit huis worden geplaatst, behandelen kunnen worden. “Het is niet voldoende dat de bewindslieden zich daartoe inspannen.”

De rechter zei gisteren zich niet te willen mengen in de politieke vraag over hoe de beperkte financiële middelen van de overheid moeten worden besteed, maar “het gebrek aan geld levert in het algemeen al niet snel overmacht op, en voor de rijksoverheid is dit nog minder het geval”. Hij wijst er verder op dat behalve geld ook de “complexe” organisatie van de opvang een rol speelt.

Volgens een woordvoerder van het ministerie van justitie is de “chaotische toestand” ontstaan door “een scheiding van taken waardoor vraag en aanbod langs elkaar heenlopen”. De justitiële maatregel (bijvoorbeeld de ondertoezichtstelling) wordt door de rechter opgelegd en voor de uitvoer is dan ook de overheid verantwoordelijk. Maar als het kind wordt doorverwezen en er moet een 'uithuisplaatsing' geregeld worden, dan ligt de verantwoordelijkheid bij de provinciale Jeugdhulpverlening. Een woordvoerder van het ministerie van volksgezondheid deelde mee dat het departement het vonnis bestudeert op eventuele principiële kanten die boven dit concrete geval uitstijgen. De jongen zal zeker geplaatst worden, ook als de staat hoger beroep aantekent.

SJR-directeur J. Vermeer toonde zich gisteren hoopvol. “Ik hoop dat staatssecretaris Terpstra inziet dat veel meer schrijnende gevallen wachten op plaatsing”. Ook de vereniging voor voogdij-instellingen Vedivo was gisteren verheugd. Ze verwacht dat de overheid voortaan meer geld ter beschikking zal moeten stellen.