Poëzie en leenrecht

De jurist Dirk Visser beklaagt zich er in NRC Handelsblad van 13 april over dat ik als uitgever mijzelf tegenspreek door niet alleen van de overheid te vragen dat er na jaren wachten eindelijk een behoorlijk, auteursrechtelijk gefundeerd leenrecht komt, maar bovendien er bij diezelfde overheid op aan te dringen dat in collecties van openbare bibliotheken het literaire genre van de poëzie niet verwaarloosd wordt.

Men moet wel sofist zijn om hierin een tegenstelling te willen zien. Immers, de overheid heeft met betrekking tot het openbaar bibliotheekwerk nu eenmaal meer dan één verantwoordelijkheid. Zij heeft een moreel-juridische plicht die voorschrijft dat er niet op grote schaal aan het publiek boeken mogen worden uitgeleend zonder dat de auteurs en uitgevers van die boeken daarvoor een passende vergoeding ontvangen. En de overheid heeft ook een cultuurpolitieke verantwoordelijkheid, op grond waarvan zij haar burgers in openbare bibliotheken niet alleen thrillers, kookboeken en streekromans mag voorzetten.

Ik kan hierin geen tegenstrijdigheid zien. Als ik zou vinden - quod non - dat Mr. Visser uit zijn mond ruikt, dan wil dat niet zeggen dat ik dan ook maar voor de kosten van zijn tandpasta moet opdraaien. Ook niet als ik toevallig drogist van beroep zou zijn.