Onder de voeten kabbelt water, maar schilderijen nauwelijks te zien; Kunst als een voetnoot bij architectuur

De inrichting van het Coop Himmelb(l)au Paviljoen van het Groninger Museum, Museumeiland 1, Groningen. Geopend di - zo 1017 uuur, 's maandags gesloten.

Tussen het staal, beton en aluminium werpt de zon driehoekige lichtvlekken op de vloer. De roestbruine scheepswanden staan als puntige ijsschotsen tegen elkaar aan. Door smalle doorkijkjes tussen het staal is het water van de brede vaart zichtbaar; zelfs onder de voeten stroomt het water kabbelend voort, het maakt duizelig wanneer je er lang naar kijkt. Het Coop Himmelb(l)au Paviljoen dat zich als de boeg van een schip verheft boven het Groninger Museum, is sensationele architectuur. Het enige vervelende is dat het moeilijk is om zicht te krijgen op de kunstvoorwerpen die zich hier bevinden. Het bouwwerk concurreert met de kunst die er in getoond wordt, in plaats van dat het juist ruimte biedt aan de kunst en gelegenheid om er in alle rust naar te kijken. De kunstwerken zijn hier in het museum niet meer dan een voetnoot bij de architectuur.

Het Coop Himmelblau Paviljoen is als laatste gedeelte van het nieuwe museum ingericht, met kunstwerken uit de eigen collectie. Hiertoe zijn groepen werken geselecteerd, van Nederlandse Impressionisten als Matthijs Maris, Isaac Israëls en H.W.Mesdag, en van vertegenwoordigers van de Groningse beweging De Ploeg uit het begin van deze eeuw, waaronder kunstenaarsportretten van Jan Wiegers en Johan Dijkstra. Ook zijn dierenschilderijen van Otto Eerelman (1839-1926), variërend van een dwergpincher tot een Abessynische leeuw, bijeengehangen.

Om schilderijen te exposeren moet van schotten gebruik worden gemaakt omdat de scheve muren zich hier niet toe lenen. De plaatsing van deze schotten maakt een willekeurige indruk. Daarbij hangen de schilderijen in rijen hoog boven elkaar zodat ze lang niet altijd goed te zien zijn, zoals de 'Twee meiden op de Lijnbaansgracht' van Isaäc Israëls, of een werkje van Jan Voerman.

De architecten van het bureau Coop Himmelblau proberen, zo wordt vermeld op een tekstbord, emotie terug te brengen in de architectuur. Zij vatten het paviljoen op als een deconstructivistisch, driedimensionaal bouwwerk. Met deconstructivisme wordt bedoeld dat de traditionele constructieve elementen als wand, vloer, raam en plafond zijn losgemaakt van hun gebruikelijke samenhang. In een dergelijke ruimte is het van belang, lijkt mij, om de tentoonstellingen met strakke hand en zo overzichtelijk mogelijk in te richten. Maar zoals het paviljoen nu is ingericht is het tegenovergestelde het geval: de opstelling is onlogisch, en een lijn is niet te ontdekken. Zo ligt vóór het paneel met de schilderijen van De Ploeg een leistenen sculptuur van Richard Long verwezen op de hellende vloer. In wat het prentenkabinet heet, maar in werkelijkheid niet meer is dan een slecht verlichte gang van de ene kant van de hal naar de andere, hangen werken op papier van Dürer en Rembrandt tot Van Gogh en Werkman, een selectie die, opnieuw, een volstrekt willekeurige indruk maakt. Deconstructivisme mag in de architectuur boeiende nieuwe dingen opleveren, maar een deconstructivistische tentoonstellingspraktijk leidt alleen tot verwarring.