Laatste mei

PAUL ARNOLDUSSEN en ALBERT DE LANGE: Finale mei. Het einde van de oorlog in Nederland

232 blz., geïll., Arbeiderspers 1995, ƒ 34,90

“O zo, dus tòch, was vrijwel de enige gedachte die in hem opkwam ter gelegenheid van de bevrijding.” Voor Arthur, hoofdpersoon uit De tranen der acacia's van Willem Frederik Hermans, geeft vrijdagavond 4 mei 1945 geen aanleiding tot feestvreugde. Terwijl alle piano's in de buurt Het Wilhelmus en Piet Hein spelen, ziet hij “er tegenop als het moeilijkste probleem waar hij ooit voor was geplaatst”. De roman dateert van 1949, dus nog voor het eerste lustrum van de bevrijding.

Bijna een halve eeuw later komen Paul Arnoldussen en Albert de Lange nog eens tot een soortgelijke conclusie in de inleiding tot hun boek Finale mei. “Dit boek is geschreven om een aantal van die gebeurtenissen en van die tegenstrijdigheden boven water te halen. Samen vullen ze het bekende beeld van feestgedruis en parades aan. Want velen werden nimmer bevrijd, omdat ze geschonden waren, omdat ze het benauwd kregen in het machtsvacuüm, alleen op de wereld bleken te zijn of omdat ze meteen in de volgende oorlog rolden, in Nederlands-Indië of in Israel.”

Arnoldussen en De Lange, journalisten van Het Parool, hebben de maand mei van 1945 uit de geschiedenis gelicht. Omdat mei 1995 “in een aantal opzichten ook de finale mei zal blijken te zijn”, zeggen ze er tamelijk plompverloren bij. In dertien hoofdstukken houden ze het vergrootglas boven een paar plekken van de Nederlandse samenleving. Het veertiende hoofdstuk hebben ze gewijd aan 'de vijftigste mei', de geschiedenis van de herdenking.

Wat ze met dat laatste hoofdstuk - 'een tocht langs 49 meimaanden' - willen, is mij niet helemaal duidelijk. De veranderende betekenis van de herdenking? De zin van alle herdenken? Het is een raar pukkeltje op het gave grondplan onder de rest van dit boek. In die dertien mooie en vooral ongebruikelijke verhalen, gebouwd op archiefwerk en gesprekken met ooggetuigen, hebben de schrijvers hun prachtige idee vorm gegeven en 'de meest hectische maand van de geschiedenis' tot leven gewekt.

Gek genoeg slagen ze daar nog het meest in als ze archiefmateriaal verwerken, het minst als ze hun ooggetuigen aan het woord laten. Zo willen de avonturen van drie 'stoters' maar geen verhaal worden. We lezen van alles over drie leden van het Nederlandse Regiment Stoottroepen (“dat de bevrijding niet volledig aan de geallieerden wilde overlaten”), maar wat er die dagen met ze is gebeurd - ik zou het niet kunnen navertellen. Het wordt allemaal geserveerd in een stijl die misschien wel het rauwe taalgebruik van de toenmalige 'stoters' wil weergeven en daarom onbegrijpelijke zinnen oplevert: “Na de oorlog werden de stoters meegesleept in de zeer matige beeldvorming die ontstond rond de Binnenlandse Strijdkrachten. Sommige jongens dachten goed-beter-best als ze er flink op los gingen; die met een kwaad geweten waren het ergst.” Let wel, dit is geen citaat van een van deze 'stoters', dit is een zin van Arnoldussen en De Lange.

De lezer moet kennelijk vooral weten dat dit boek echt is geschreven en niet louter opgetekend. Maar je raakt toch in de war bij passages als: “Heijder was in de oorlog 'Chef van het Bureau der Commissarissen over het Raadhuis', een titel die de ergste vooroordelen over de ambtenarentaal bevestigt.” Wat heeft dit in hemelsnaam met mei 1945 te maken? Het zou nog te billijken zijn als het mooie zinnen opleverde, maar Arnoldussen en De Lange hebben zelf niet geaarzeld ambtenarenproza te produceren: “Het gevoel dat hij had bij het eerste bezoek aan de familie Klompe, in mei 1945, begon handen en voeten te krijgen.”

Een verademing zijn daarom de hoofdstukken die meer op het archiefwerk leunen, zoals dat over de eerste naoorlogse maanden van de onderwijsinspectie. Uit de rapporten van onderwijsinspecteurs uit het hele land destilleren de auteurs de houding van Nederland na de oorlog. In hun drang om maar zo snel mogelijk verder te kunnen gaan, de oorlog voorbij te zijn, walsen deze nauwgezette ambtenaren heen over alles wat tegenwoordig als de 'gevoeligheden' van de oorlog wordt beschouwd.

Veel scholen waren verwoest - niet zozeer door de Duitse bezetter, maar door ingekwartierde bevrijders en door tijdelijk ondergebrachte repatrianten. Ze waren wapendepot geworden, gaarkeuken, paardestal of bordeel. “Twee maanden repatriëring hebben mijn school meer schade toegebracht dan vier jaar oorlog”, noteert de Maastrichtse inspecteur fijntjes uit de mond van een schoolhoofd. Dezelfde inspecteur had bij het bezichtigen van de schoolgebouwen al gemerkt: “Onze bevrijders hebben hun kwartieren heus niet ontzien; speciaal waar negersoldaten gehuisvest waren, vierde vandalisme hoogtij.” Alle ongeduld om de draad weer op te pakken, spreekt uit dat ene zinnetje van een andere inspecteur: “Thans is alles weer normaal.”