In Groninger Museum een 'redelijk evenwicht'

De Vuurslagprijs voor conservator Christiaan Jörg is mede een teken van waardering voor het Groninger Museum. Een spannend museum, vindt de gelauwerde zelf. Een interview, én een kritische kanttekening bij een van de, architectonisch bezien, sensationeelste delen van het museum, het Coop Himmel-b(l)au Paviljoen.

GRONINGEN, 22 APRIL. “Ontzettend leuk” vindt Christiaan Jörg het dat hij de Vuurslagprijs heeft gekregen. De conservator van het Groninger Museum voelt het als erkenning van zijn werk, dat in Groningen niet altijd even gemakkelijk is geweest. “Maar ik moet zeggen dat ik hier intern ook veel waardering heb ontvangen voor de prijs.”

Dr. Christiaan Jörg (50) is hoofd collecties van het Groninger Museum. Over de hele wereld geldt hij als specialist op het gebied van de kunstnijverheid die in de zeventiende en achttiende eeuw door de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) uit China, Japan, Indië en India naar Nederland werd verscheept. Onlangs kreeg hij voor zijn onderzoek en publikaties op het terrein van Oosters porselein de Vuurslag, de grootste kunsthistorische prijs in Nederland. Deze onderscheiding van de Kunst- en Antiekbeurs Breda, waaraan een bedrag van 25.000 gulden is verbonden, is dit jaar voor het eerst uitgereikt.

Jörg straalt als hij over zijn levenswerk vertelt. “In de zeventiende eeuw bestelden Japanners in Delft theekommen voor de Japanse theeceremonie. Waanzinnig. Zij hielden van exotische objecten. Net als wij. Er zijn soms nog tekeningen waarop staat hoe Japanners wilden dat een theekom er uit moet komen te zien. Fascinerend”, roept de conservator uit.

Jörg is al even enthousiast over de plek die de kunstnijverheid in het Groninger Museum heeft gekregen. Het 'aluminium' paviljoen van Philippe Starck heeft “een bepaalde chique”. En spannend noemt hij het. Door de gordijnen zwerven en kijken wat je tegen komt. Mensen komen er volgens hem graag. “Daar is het ons tenslotte om te doen.”

Pakweg een jaar of zes geleden hadden hij en de andere conservatoren de vrees dat kunstnijverheid, archeologie en geschiedenis in het nieuwe Groninger Museum ondergesneeuwd zouden raken. “Dat hebben we toen niet zachtzinnig in kranten gemeld. Maar het is goed gekomen. De moderne kunsten en de kunsten van gisteren zijn redelijk in evenwicht.” Terugkijken op het conflict met museum-directeur Frans Haks doet hij liever niet, want wat hem betreft is de lucht opgeklaard. “Ondanks alles heb ik in het Groninger Museum altijd de mogelijkheid gehad mijn specialisme te beoefenen. Het beeld dat ik hier in een verdomhoekje zit, wil ik absoluut wegnemen.”

De nadruk van Jörgs onderzoeken en publikaties hebben altijd gelegen op de wisselwerking tussen Oost en West. Nederland heeft volgens hem een enorme invloed gehad op de produkten die in het oosten werden gemaakt. “Omgekeerd zie je dat al die Aziatische produkten in Nederland in de mode raakten. Mensen wilden porselein, lakwerk of textiel uit het Verre Oosten hebben. Dat Aziatische element is in ons cultuurpatroon niet meer weg te denken.”

Jörg werd na zijn studie kunstgeschiedenis en zijn promotie-onderzoek naar 'porselein als handelswaar' in 1977 door toenmalig museum-directeur A. Westers gevraagd om in Groningen conservator te worden. Het Groninger Museum had al een rijke collectie porselein. Dat komt volgens hem door de noordelijke zuinigheid. “Aan het einde van de achttiende eeuw raakt Oosters porselein uit de mode. Het verdwijnt naar de kelder en wordt later weggegooid. In Friesland en Groningen weten ze echter dondersgoed wat pa en ma of opa en oma er voor hebben betaald. Daardoor is hier veel overgebleven en heeft het museum een indrukwekkende collectie kunnen opbouwen.”

In 1986 raakte hij betrokken bij de veiling van de lading porselein uit de Geldermalsen, het gezonken VOC-schip dat in 1983 door de Britse duiker Michael Hatcher in de Zuid-Chinese Zee werd opgedoken. Veilinghuis Christie's vroeg hem uit te zoeken om welk schip het ging. “Met de scheepslijsten kon ik dat vrij eenvoudig bepalen.” Mede dankzij zijn boek over de Geldermalsen bracht de lading 43 miljoen gulden op. Hij verwierf internationale bekendheid, maar van collega's kreeg hij ook kritiek. Er werd hem verweten dat hij had meegewerkt aan de plundering van de scheepvaartgeschiedenis. Jörg vindt dat hij zich pragmatisch heeft opgesteld. “Van elk stuk heb ik een exemplaar bedongen voor het Groninger Museum. Zo is een volledige collectie voor onderzoek behouden gebleven.”

Het buitenland heeft volgens hem veel belangstelling voor de kunstnijverheid uit de VOC-periode. “Maar hier zijn er maar een paar mensen mee bezig”, zegt Jörg. Hij maakt zich al een beetje zorgen over wie zijn werk in Nederland zou kunnen voortzetten.

Jörg wil de komende tijd graag nog meer voorbeelden van kopieën van Chinees porselein uit Delft en de originele stukken aanschaffen, en Nederlandse chinoiserieën, Nederlandse kunstnijverheid met Oosterse motieven. “Het aankoopbudget is net groot genoeg om interessant te blijven voor de handel.”

Het geld dat aan de Vuurslagprijs is verbonden wil hij benutten om samen met Oliver Impey van het Ashmolean Museum in Oxford en Cynthia Viallé van de Leidse universiteit onderzoek te doen naar Japans lakwerk. Daar zijn volgens hem in de VOC-archieven ook veel gegevens over.

Staand naast een vitrine in het paviljoen van Starck vertelt hij over een gelakt bord uit Japan. Volgens veilinghuis Sotheby's komt het uit het midden van de negentiende eeuw. “Wij denken dat het uit het begin van de achttiende eeuw stamt. Dat moeten we dus nodig goed uitzoeken.” In 1996 zal hij het onderzoek publiceren. Voor museum Boymans van Beuningen schreef hij de catalogus van de expositie Oosters Porselein die vorige week is geopend.