Groot jammer

In de leraar die zijn schoolse wetenswaardigheden wat saai debiteerde, vond de Bosnische Senad gemakkelijk een aanleiding tot grappenmakerij. Hij zat achterin de klas, verscholen achter Vesna, die ook uit Bosnië kwam, en fluisterde haar zacht, in hun eigen taal, een absurd schaduwverhaal in het oor - waarbij hij klank en toon van de beluisterde stem, en het ritme van de zinnen blijkbaar zo goed imiteerde dat Vesna uitbarstte in een eenzame schaterlach. Klas en leraar keken verbaasd op. Vesna kleurde, lachte opnieuw, wat nerveus nu, en boog beschaamd het hoofd. “Waarom jij lachen, Vesna?” verwoordde Senad de algemene verbazing.

Vesna lachte graag, met open ogen volgde ze wat zich om haar heen, in de klas, afspeelde. Ze luisterde goed en hoewel ze zelf natuurlijk ook nog veel fouten maakte, werd het gebrekkige Nederlands van medeleerlingen voor haar al snel een bron van vermaak. Toen de Israelische Ran graag wilde laten zien dat hij wist wat het werkwoord 'bezoeken' betekende, daartoe onder de bank dook en, vlak boven de grond, een pen heen en weer zwaaiend, uitriep: “Ik bezoek mijn pen!”, begreep Vesna direct dat Ran zich vergiste en hoe grappig dat in het Nederlands moest klinken. Met een schok kwam haar hele lichaam in beweging, ze wierp het hoofd in de nek, en liet, terwijl Ran nog onder de bank zat, haar heilzame lach door het lokaal stromen - een mooi, krachtig, helder geluid.

Even gemakkelijk huilde ze. Ze was vijftien jaar toen ze hier op school kwam en leek achttien: een meisje robuust zowel van karakter als van lichaam. Toen haar schooltas plotseling verdwenen was en ik haar vroeg wie daar volgens haar verantwoordelijk voor was, wees ze op het groepje Marokkaanse jongens en zei: “Die Marokkanen”. Natuurlijk was het een grapje van een van de leerlingen, niet noodzakelijk een Marokkaan overigens, die haar aandacht wilde trekken - maar het grapje duurde wat lang. Op haar achteloze beschuldiging reageerden de Marokkanen, overgevoelig voor discriminatie, woedend: dus ook voor Vesna waren alle Marokkanen dieven! Vesna zei dat ze dat niet had gezegd, ze had alleen al vaker gemerkt dat vooral de Marokkaanse jongens dit soort grappen uithaalden, maar de Marokkanen namen daarmee geen genoegen en speelden het hoog op. Het was een paar uur lang onmogelijk de klas les te geven, en zelfs een dag later was de sfeer, normaal zo ontspannen, nog ijzig. Maar Vesna heeft nooit haar excuses aangeboden; zelf half-Servisch, half Kroatisch, afkomstig uit een stad met een meerderheid aan moslims, had ze een zekere vooringenomenheid jegens Marokkanen. Koppig koos ze voor ruzie, liever dan zichzelf omwille van de lieve vrede te verloochenen.

Nee, er was meer voor nodig om haar te doen huilen. Ze zat pas vier maanden hier op school, vier maanden in de 'schakelklas', toen ik haar op een ochtend vroeg, terwijl ik tussen de banken door liep, “of ze nog naar Australië gingen”. Het zou me niet verbaasd hebben als ze van de ene op de andere dag verdwenen was - dat gebeurt wel vaker met leerlingen hier op school. Eerder had ze me verteld dat het gezin - vader, moeder, drie kinderen - misschien weer uit Nederland zou vertrekken, om naar Australië te gaan.

“Waarom Australië” had ik gevraagd.

“Broer vader wonen eh... woont in Australië. Zegt: alles goed daar. Is werk en kan blijven. In Nederland niet weten hoelang mogen wij blijven. Hebben verblijfsvergunning tot februari.”

Inmiddels was het een maand later en december geworden. Op mijn bijna terloopse vraag of Australië nog doorging, antwoordde ze: “Vader wil, in januari of februari.” Ik wist niets te zeggen en even was het erg stil.

Vesna, het was bijna niet te zien maar ze leek zich te verbijten. Haar mond kreeg iets krampachtigs, als bij een inspanning. Toen wendde ze haar blik af, boog het hoofd en verborg haar gezicht achter haar handen. Huilde ze nu? Ik schrok van wat ik met mijn wel wat ontactische vraag teweeggebracht had. Behalve verwarring voelde ik bovendien medelijden met dit mooie, slimme meisje, dat zo hard werkte, zo snel Nederlands leerde, zo heerlijk kon lachen en zo'n onzekere toekomst tegemoet ging. In een impuls, om daar niet zomaar te blijven staan, raakte ik even licht, onzeker, haar schouder aan. Op datzelfde moment stond Senad op, leunde zwaar, kameraadschappelijk op haar andere schouder, en zei iets tegen haar dat ik niet kon verstaan, iets in het Servo-Kroatisch, een paar woorden maar. En ja, Vesna schoot in de lach, lachte ondanks zichzelf, tussen haar tranen door. Een loden last viel van mij af; zoiets kon alleen Senad. Toen stond ook Vesna op en liep de klas uit om, vermoedde ik, voor de spiegels van het toilet haar tranen te drogen.

“Het zou jammer zijn als Vesna wegging”, zei ik tegen Senad. En ik meende het: de klas, ja zelfs Nederland, zo voelde ik op dat moment, zou er werkelijk armer op worden.

“Groot jammer”, bevestigde Senad ernstig.