Gevoelvolle wetenschap

H.A.M. SNELDERS: Wetenschap en intuïtie. Het Duitse romantisch-speculatief natuuronderzoek rond 1800

212 blz., geïll., Ambo 1994, ƒ 59,50

In de zestiende en zeventiende eeuw voltrok zich in het natuurwetenschappelijke denken een revolutie. Het oude 'organistische' wereldbeeld, met zijn nadruk op analogieën met de levende natuur, maakte plaats voor een 'mechanistische' visie die de natuur vergeleek met een machine en die de ervaring - en niet louter de rede - centraal stelde. Deze omwenteling, briljant beschreven in De mechanisering van het wereldbeeld (1950) van E.J. Dijksterhuis, culmineerde in het werk van Isaac Newton (1642-1727). Twee eeuwen lang zou de natuurwetenschap zich bewegen langs de 'klassieke' lijnen die deze Britse reus had uitgestippeld, om met de relativiteitstheorie en de quantummechanica in het interbellum opnieuw van koers te veranderen.

Jena

In het Duitse taalgebied, geconcentreerd rond de universiteit van Jena, ontstond aan het einde van de achttiende eeuw als reactie op de Aufklärung een romantische Naturphilosophie die grote invloed kreeg. De hypothetisch-deductieve methode van Newton werd voor enkele tientallen jaren weggedrukt door dynamische en organische verklaringsmodellen, waarbij het innere Gefühl het nogal eens won van het kritische verstand. Natuur en cultuur waren voor de romantische natuuronderzoeker ondeelbaar, hun wereld was een albezield geheel.

In Wetenschap en intuïtie brengt H.A.M. Snelders, scheidend hoogleraar in de geschiedenis der natuurwetenschappen te Utrecht en Amsterdam, deze ontwikkeling voor een breed publiek in kaart. Daarmee keert hij terug naar het onderwerp van zijn dissertatie uit 1973. Het nieuwe boek, dat een ouderwets soort geleerdheid ademt en zich baseert op uitvoerig bronnenonderzoek, geeft, beknopter maar prikkelender dan toen, een inleidend overzicht van een stroming die momenteel een revival doormaakt. Verkondigt de hedendaagse holist en wantrouwend anti-positivist niet dezelfde eenheid van natuur en geest?

Om inzicht te geven in de veronderstelde samenhang tussen natuurverschijnselen en de wereld van de mens, hanteerde de romanticus naast wiskundige categorieën begrippen als polariteit, identiteit, metamorfose, analogie, potentie en complementariteit. Alles in het verlengde van de 'transcendentaalfilosofie' van Immanuel Kant (1724-1804), met zijn nadruk op a priori kenniselementen los van de menselijke ervaring. Volgens de Koningsberger hoogleraar logica en metafysica bestond materie niet uit kleinste deeltjes, atomen, maar uit een samenspel van aantrekkende en afstotende krachten. Alle natuurverschijnselen, ook licht, warmte, elektriciteit en magnetisme, zijn, aldus Kant, niets dan modificaties van dezelfde natuurkracht, zij het steeds onder gewijzigde omstandigheden.

Het romantische denken over de natuur werd, zo schrijft Snelders, het sterkst beïnvloed door de speculatieve Naturphilosophie van Friedrich Wilhelm Joseph Schelling (1775-1854). Uitgaande van de opvatting dat de natuur één groot organisme is waarin de materie zich door dynamische processen trapsgewijs tot leven verheft, en uiteindelijk tot geest, meende deze idealistische wijsgeer de natuur geheel langs deductieve weg uit het denken te kunnen afleiden. Dit ten koste van het experiment, dat in zijn stelsel een ondergeschikte rol speelde en zelfs werd veracht: hooguit kwam een rationele analyse van waarnemingen van pas om een reeds ingenomen standpunt (al dan niet wrakkig) te onderbouwen.

Blijvende resultaten leverde dat niet op: natuurwetenschap à la Schelling ging ten onder in machteloosheid. Het Kantiaanse evenwicht tussen zintuiglijk waarnemen en abstract redeneren raakte in de geconstrueerde, intuïtieve natuurfilosofie ernstig verstoord met als gevolg overhaaste conclusies en oeverloze speculatie. Terwijl in Frankrijk en Engeland - maar niet in Nederland - de empirische natuurwetenschap successen boekte, bleef Duitsland achter. Niet dat de natuurfilosofen geen tegenstanders hadden, maar Alexander von Humboldt en Carl Friedrich Gauss namen niet de moeite zich openlijk te verzetten. Pas nadat het experiment in ere was hersteld en de filosoof weer het primaat aan de waarnemer gunde, wist de Duitse natuurwetenschap na 1830 op te krabbelen.

Stroomdraad

Tegelijk zijn sommige romantici in de periode 1800-1830 juist door hun natuurfilosofische ideeën tot kwalitatief hoogstaand experimenteel onderzoek gekomen. Opvattingen over eenheid en polariteit in de natuurkrachten leidden tot baanbrekende experimenten, zoals Ritters proeven met galvanisme (contact-elektriciteit) en Hans Christian Oersteds ontdekking van het elektromagnetisme: een rechte stroomdraad werkt in op een kompasnaald. Deze geleerden lieten zich aan Schelling weinig gelegen liggen en gingen uit van het experiment, al verbonden ze daaraan soms de meest vergezochte conclusies. Zo sprak Oersted van een 'elektrisch conflict' in de stroomvoerende draad dat invloed zou uitoefenen op de 'magnetische materiedeeltjes' in de kompasnaald.

Een aparte plaats ruimt Snelders in voor Johann Wolfgang Goethe (1749-1832). Deze belichaming van de Romantiek stak meer tijd in optica, zoölogie, botanie en geologie dan in poëzie. Zo publiceerde hij in 1810 met zijn Zur Farbenlehre een opmerkelijke kleurentheorie die uitging van het oude idee dat kleuren ontstaan uit een vermenging van licht en donker.

Met deze opvattingen keerde hij zich tegen Newton die in zijn Opticks had gesteld dat wit licht niets anders is dan een mengsel van kleuren, zich baserend op proeven met lichtstralen die op prisma's vielen. Maar volgens Goethe liet de natuur zich niet dwingen. Hij vond dat Newton het licht 'kwelde', de Brit had bij zijn experimenten de natuur op de pijnbank gelegd om haar onder dwang te ontfutselen wat ze spontaan niet wilde prijsgeven.

Goethe kreeg lof toegezwaaid van Schelling en consorten, maar bij experimenteel natuurkundigen riep zijn theorie verzet op. Die hadden op den duur trouwens de buik vol van “dit met stro volgestopte en met schmink geverfd dode skelet”, zoals de scheikundige Justus Liebig de Naturphilosophie in 1840 kenschetste. In de tweede helft van de negentiende eeuw nam de kloof tussen natuurwetenschap en filosofie steeds grotere proporties aan. Zelfs probeerden materialisten (Voigt en Büchner) en darwinisten (Haeckel) - tevergeefs - verklaringen van natuurverschijnselen van iedere vorm van metafysica te zuiveren. Pas met de komst van Ernst Mach en Wilhelm Ostwald daagde rond de eeuwwisseling opnieuw het inzicht dat natuurwetenschap zonder wijsgerige reflectie gedoemd is te verdorren.