Ellende in Oost-Indië

V. ROEPER, R. PARTHESIUS en L. WAGENAAR: De Batavia te water

63 blz., geïll., De Bataafsche Leeuw 1995, ƒ 36,-

P. KIRSCH: Die Reise nach Batavia. Deutsche Abenteurer in Ostindien 1609 bis 1695

440 blz., geïll., Kabel 1994, ƒ 65,60

De Batavia is weer terug. De reconstructie van het 17de-eeuwse VOC-schip ligt na enige ballastproblemen in Amsterdam nu in het water in Lelystad. Ter gelegenheid van de koninklijk doop en de tewaterlating organiseerde de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam een tentoonstelling over dit schip (tot 9 juni) en verscheen een boek met de toepasselijke titel De Batavia te water. In dit rijk geïllustreerde werk wordt het schip vanuit verschillende perspectieven behandeld. Aan bod komen de politieke en bestuurlijke situatie in het stadje Batavia, waarnaar het schip in 1629 op weg was en dat het nooit bereikt heeft omdat het schipbreuk leed op de westkust van Australië. Er is een hoofdstuk over de gang van zaken aan boord van het schip, de spanningen onder het hogere kader, de dreigende muiterij, de schipbreuk en de dramatische gebeurtenissen op de Australische eilandjes. Daar vermoordde een kleine groep fanatiekelingen 125 van hun medeopvarenden. Gerechtigheid vond plaats toen er hulp uit Batavia werd gehaald en de daders na een proces werden geëxecuteerd. In Nederland raakte deze ramp vrij snel bekend en nog tientallen jaren later verschenen er boekjes over. Ook daar is een hoofdstuk aan gewijd.

Maar het schip was verloren en hoewel er nog gedoken werd en er ook kostbaarheden naar de oppervlakte kwamen, was dit toch een zware slag voor de compagnie. Pas in deze eeuw is er door onderwaterarcheologen opnieuw gedoken. Er kwamen delen van de romp en gebruiksvoorwerpen naar boven, die nu in het museum in Fremantle in Australië staan opgesteld. De rompfragmenten hebben bovendien een rol gespeeld bij de reconstructie van de Batavia in Lelystad. Behalve scheepsbouwtractaten, eigentijdse afbeeldingen, een enkele bouwtekening en scheepstimmermanservaring hebben deze lompe brokstukken aanwijzingen gegeven over de oorspronkelijke constructie van het schip. Met een hoofdstuk over deze reconstructie sluit dit boek af.

De geschiedenis van het schip de Batavia bevat alle mogelijke ervaringen die met het leven op deze enorme schepen geassocieerd waren: spanningen aan boord, storm, muiterij, schipbreuk, moord en doodslag en zelfs gedwongen prostitutie. Op dergelijke sensationele gebeurtenissen was men in de 17de eeuw ook al tuk en daarom konden er regelmatig nieuwe uitgaven van deze gebeurtenissen op de markt komen. Het accent op het drama doet echter vergeten dat er ook een wereld van routine bestond. Dat er enkele duizenden malen zo'n schip naar Azië gevaren is zonder dat scheurbuik tot massale ziekte leidde, zonder dat er noemenswaardig veel mensen stierven en zonder dat er zeerovers werden gezien; reizen waarbij niet gemuit en niet op de klippen gelopen werd.

Slavenbestaan

Er is relatief weinig onderzoek gedaan naar dat routineuze leven aan boord en het alledaagse bestaan van de VOC-dienaren in Azië. Het boek van Peter Kirsch is daar een onderhoudende uitzondering op. Kirsch is tandarts en amateurhistoricus te Heidelberg en deed al eerder in boeken en artikelen van zijn fascinatie met dit onderwerp blijken. Dit boek handelt nu eens niet over de scheepsbouw, de kwantitatieve aspecten van de handel en scheepvaart, maar over de persoonlijke belevenissen van het VOC-personeel op de schepen en in Azië. Kirsch put zijn materiaal uit een twintigtal autobiografische boeken en boekjes van Duitsers die dienst hadden genomen bij de VOC, de meesten als soldaat.

Het is een levendig boek geworden waarbij de auteur de verschillende fasen beschrijft van de reis naar en het verblijf in Azië. Het zijn capita selecta uit de loopbaan van lagere VOC-employés. Dat begint bij de zoektocht in Amsterdam naar een baan bij de VOC, de aanmonstering, de tocht via Kaap de Goede Hoop, de belevenissen in Batavia, oorlog op de Molukken, strijd tegen de Chinezen op Formosa, een inspectietocht naar Suratte in India waar corrupte VOC-ambtenaren doorgelicht moesten worden, de expeditie van Duitse mijnwerkers op Sumatra op zoek naar goud en ten slotte de terugkeer naar het koude Europa.

Het boek van Kirsch geeft niet het leven weer van één persoon in een beperkt aantal jaren, het is evenmin een reconstructie van het doorsnee leven van een VOC-matroos of een VOC-soldaat. Kirsch heeft 'Abenteuer' geselecteerd: indrukwekkende belevenissen van verschillende Duitsers, verspreid over de 17de eeuw. Hij kiest dus telkens andere protagonisten en omdat het leidende principe de locatie van de gebeurtenissen is, springt de auteur nogal eens heen en weer in de tijd.

Kirsch heeft geen aanvullend archiefonderzoek gedaan en gaat iets te gemakkelijk uit van de betrouwbaarheid van zijn bronnen. Hij is zich iets te weinig bewust van het feit dat dit soort gedrukte autobiografische uitgaven moesten beantwoorden aan bepaalde retorische formules en dat er ook een aantal dramatische ingrediënten ingevoerd konden worden om het publiek te behagen. Maar Kirsch is goed geïnformeerd over het VOC-bedrijf en neigt er nergens toe om het fraaier en avontuurlijker voor te stellen dan het geweest is. Hij is eerder cynisch. Hij heeft oog voor de bittere noodzaak van velen om dienst te nemen, voor de spanningen, de onzekerheid en het lijden. Hij schept een somber beeld van de samenleving in Batavia en op de verschillende handelsposten in een ellendig klimaat, waar de mensen aan de top - of ze nu competent zijn of niet - het voor het zeggen hebben. Zo beschrijft een Duitse mijnwerker in 1680 hoe onbeschijfelijk slecht de accomodatie aan boord is en dat velen wanhopig de dag vervloeken dat ze geboren waren en dat ze duizend maal liever thuis waren met niets dan brood, zout en water dan op dit schip te moeten varen. Een landgenoot klaagt een paar jaar later bitter over het moeizaam soldatenleven. Hij vergelijkt het met een slavenbestaan, waarbij hij moet toezien dat de heerlijke schatten die Azië biedt het gewone volk nooit bereiken.

Kirsch heeft een groot inlevingsvermogen. Een van de mooiste hoofdstukken is dat waar hij de ziekte beschrijft van de mijnbouwer Johann Wilhelm Vogel. Vogel is ingezet op Sumatra en keert in 1681 doodziek terug in Batavia. Hij krijgt verlof om een bed bij een particulier te zoeken en hoeft niet te zamen met honderden anderen in het hospitaal te kreperen. De Hollandse chirurgijns kunnen niets uitrichten. Hij neemt zijn toevlucht tot een 'indianische Medicus', maar ook dat mag niet baten. Tenslotte belandt de totaal uitgeputte Vogel bij een christelijke Balinese die hem een plantaardig dieet voorzet en gedurende vier weken zweetbaden laat nemen. Dit brengt genezing en Vogel zal uiteindelijk gezond zijn vaderland weer bereiken. Het is een van de eerste keren dat een dergelijke inheemse genezing zo gedetailleerd is beschreven.

Door de beeldende manier van schrijven, waarbij de historische handelingen moeiteloos verbonden zijn met verklarend commentaar en achtergrondinformatie is Die Reise nach Batavia een informatief en onderhoudend boek geworden, dat heel goed kan dienen als een eerste introductie op de VOC.