Een foute jeugd

ANDRÉ LEYSEN: Achter de Spiegel. (Terugblik op de oorlogsjaren)

272 blz., Lannoo 1995, ƒ 39,50

Tussen alle beschouwingen en publikaties die de laatste tijd zijn verschenen naar aanleiding van de geallieerde overwinning op nazi-Duitsland vijftig jaar geleden, neemt het boek Achter de Spiegel van de Antwerpse industrieel André Leysen een opmerkelijke plaats in. Niet zozeer door de inhoud, maar vooral door de persoon van de auteur.

Leysen (67) is een tot ver over de eigen grenzen heen bekende en invloedrijke Vlaming. Hij is onder andere voorzitter van de raad van bestuur van Agfa-Gevaert, voorzitter van het directie-comité van de Vlaamse Uitgeversmaatschappij (van onder andere De Standaard) en plaatsvervangend president-commissaris bij Philips. Hij was jarenlang voorzitter van de Belgische werkgeversorganisatie VBO en als lid van het presidium van de raad van beheer van de Treuhandanstalt hield hij zich recentelijk bezig met de privatisering van de Oostduitse economie. Twee jaar geleden trok hij aan de alarmbel met een indringend essay De naakte staat over het 'zieke' België met zijn allesverslindende staatsschuld en zijn vastgeroeste sociale structuren.

Ditmaal treedt Leysen in de schijnwerpers met een boek over zijn 'foute' verleden tijdens de Tweede Wereldoorlog: over zijn toetreding (op 14-jarige leeftijd) tot de Hitlerjugend in Antwerpen, over zijn verblijf in Berlijn als medewerker van René Lagrou (stichter van de Algemene SS-Vlaanderen, die zichzelf betitelde als voorzitter van een Vlaamse regering in ballingschap) en over zijn terugkeer via korte omzwervingen door Oostenrijk, Zwitserland en Frankrijk in België.

Actuele betekenis

Leysen komt er rond voor uit dat hij zich heeft laten meeslepen door een ideologie, waarvan hij de verschrikkelijke dimensies pas aan het einde van de oorlog besefte, toen hij voor het eerst foto's zag van concentratiekampen. “De schok die men als jonge mens ervaart als men zich bewust wordt misleid te zijn en men alle idealen in gruis en asse ziet verzinken, is moeilijker te beschrijven. Ik had, hoe ongeloofwaardig dat ook mag klinken, tot op dat ogenblik - tot in april 1945! - de overtuiging gehad mij voor het goede en tegen het slechte te hebben ingezet.”

Leysen nam in het voorjaar van 1945 het besluit “dat ik me in mijn leven nooit meer aan onverdraagzaamheid schuldig zou maken”. Met Achter de spiegel geeft hij vijftig jaar later de dwingende waarschuwing af om als samenleving opnieuw alert te zijn op een dreigende ondermijning van de democratie. “We zien nu sommige van de vooroorlogse symptomen weer opduiken. De wrevel over echte of vermeende politieke schandalen en corruptie en de ontevredenheid over de trage besluitvorming doen opnieuw de roep om 'efficiëntere' regeringssystemen opgaan. (...) We moeten iets doen om de toenemende afstandelijkheid en onverschilligheid van de burger tegenover de politiek te verminderen.”

In het zicht van de komende verkiezingen van 21 mei in België, die voor een belangrijk deel dreigen te worden overschaduwd door de Agusta-smeergeldaffaire, krijgt Leysens boodschap actuele betekenis. Juist vorige week heeft het extreem rechtse Vlaams Blok aangekondigd dat zij de Agusta-affaire breed zal uitmeten in de verkiezingscampagne om zo veel mogelijk proteststemmen in Vlaanderen te vergaren. Leysens waarschuwing voor een herhaling van de geschiedenis mag dan ook worden opgevat als een directe waarschuwing tegen het Vlaams Blok (hoewel die partij niet met name wordt genoemd in het boek). Dat een vooraanstaand Vlaams ondernemer op grond van zijn levenslessen een dergelijk niet mis te verstaan signaal afgeeft, is een belangrijke verdienste.

Leysen was 12 jaar toen de oorlog uitbrak, niemand had hem iets hoeven te verwijten als hij had gezwegen over zijn 'jeugdzonde'. Dat hij er toch openlijk over schrijft, en dan nog wel voor een veel breder publiek dan “mijn kinderen en kleinkinderen”, is moedig. Leysen is daarbij uiterst zorgvuldig te werk gegaan. De bibliografie bij zijn boek vermeldt meer dan zeventig titels van studies en dagboeken die hij heeft gelezen, op zoek naar antwoorden op die ene intrigerende kernvraag: hoe kon het dat zoveel mensen, inclusief hijzelf, zich hebben laten verblinden door het Hitler-regime?

Moreel verval

Achter de Spiegel staat dan ook vol met analyses en beschouwingen over de vernederingen die Duitsland moest incasseren na de Eerste Wereldoorlog, over de opkomst van het nazisme en het groeiende antisemitisme, over de waanbeelden van Hitler en de demagogische gaven van Goebbels, en over de medeplichtigheid in bijvoorbeeld Frankrijk aan de jodenvervolging en de gelatenheid in België. “Ik wilde het zijn achter de schijn ontdekken. Na een diepgaande studie van de bronnen, die daarmee gepaard ging, heb ik een wereld van moreel verval voor mij zien opdagen en heb ik gezien welk een afgrond zich achter de spiegel bevond”, schrijft Leysen.

Maar juist als het gaat om de autobiografische inkleuring van die 'wereld', blijft Achter de Spiegel nogal eens aan de oppervlakte steken. Leysen vertelt wel over zijn persoonlijke lotgevallen, maar dat gebeurt vaak zonder beeldende diepgang. Ook als het gaat om de persoon Leysen, blijft hij nuchter en zakelijk. Hij geeft alleen weer wat hij zich herinnert uit zijn jeugdjaren. Hij is vooral geïnteresseerd in feiten en verklaringen, en minder in het schrijven van een 'mooi' verhaal. Van 'Verdichtung' of het opvullen van leemtes met wijsheid achteraf wil hij niets weten.

Zo beschrijft hij hoe hij in de herfst van 1943 als 16-jarige Scharführer een groep oudere Vlamingen moest begeleiden op een treinreis naar Potsdam voor het volgen van een Hitlerjeugd-cursus. Dat was onder de oorlogsomstandigheden geen sinecure en bovendien was er wat gemor onder de troepen, zo blijkt uit zijn nogal steriele aantekeningen: “Ik moest er ook relatief streng de orde in houden, want anders liepen de zaken uit de hand. Een groep van twintig mensen kan men onder die omstandigheden slechts met tucht samenhouden. Over de cursus in Potsdam valt niet veel te zeggen, buiten het feit dat we de stad, het slot Sanssouci en het Neue Schloss bezochten, en dat die op mij een grote indruk maakten.”

Op die manier prikkelt Leysen de nieuwsgierigheid van de lezer, maar laat hij tegelijkertijd vele vragen open. “Wij waren nu eenmaal Duitsgezind”, schrijft hij over zijn familie. Waarom dat zo was, “herinner ik me niet zo precies”. Zelf wilde hij per se naar de Duitse school in Antwerpen, waar hij zijn latere (Duitse) vrouw Anne ontmoette. Hij schreef haar in die tijd een briefje dat hij nog steeds heeft: “Als ge verder zo weinig actief blijft in het leven, zult ge het tot niets brengen.”

In de tweede helft van 1941 trad Leysen toe tot de Hitlerjeugd. “Ik was heel blij (...) want in Antwerpen was er een ruiter-Hitlerjeugd, en ik droomde er allang van te leren paardrijden. (...) Het ideologische namen we erbij, hoewel het zeer vervelend was.” Leysens oudere broer was toen al als Waffen SS'er naar het Oostfront vertrokken. Zelf wilde Leysen in de zomer van 1944 “uit plichtsbesef” ook naar het Oostfront, maar een arts wist hem daarvan te weerhouden.

In plaats van Duits soldaat te worden, voegde Leysen zich bij de Vlaamse 'operetteregering' in Berlijn, waar hij hand- en spandiensten ging verlenen aan 'eerste minister' Lagrou. Die stuurde hem onder andere op missie naar Zittau, aan de Tsjechische grens. Daar werkte een Vlaamse ondernemer bij de boekhoudkundige dienst van een 'grootkeuken'. Leysen moest hem overhalen minister van financiën te worden in de Vlaamse regering. Maar de man weigerde, ondanks herhaald aandringen: “Zeg Lagrou dat ik het hier in de keuken getroffen heb en dat de zaken in Berlijn onder de huidige omstandigheden te onzeker zijn om zulk een positie op te geven.”

In februari 1945, na een zwaar bombardement op Berlijn en terwijl het Rode Leger in aantocht was, hield Leysen het voor gezien. Lagrou stuurde hem nog naar een eiland in het Chiem Meer, vlak bij de Oostenrijkse grens, om daar de uitgeweken Vlaamse nationalist Cyriel Verschaeve gezelschap te houden. Leysen toont zich ontgoocheld over die ontmoeting: de dichter Verschaeve was een oude, angstige man, vol zelfmedelijden en voortdurend zeurend over de kwaliteit van het eten. Omdat Leysen inzag dat de zaak verloren was, besloot hij zijn uniform “in de diepten van de Chiemsee te begraven, samen met veel jeugddromen en -illusies”.

Na een reis via Oostenrijk, Zwitserland en Frankrijk kwam hij op 8 mei 1945 aan op het Centraal Station in Antwerpen. Vervolgens dook hij enkele dagen onder in een hotel in Blankeberge om te ontsnappen aan 'de volkswoede', om zich tenslotte maar gewoon te melden bij de politie.

Na vier maanden geïnterneerd te zijn geweest, werd hij in september 1945 door de jeugdrechter in vrijheid gesteld. Zijn bruine kleed had hij toen ook geestelijk afgelegd. En de tot inkeer gekomen Leysen besluit zijn boek met:

“De oorlog was voor mij een grote leerschool, de naoorlogse periode een grote ogen-opener. Ik heb sindsdien mijn leven volgens mijn aanvoelen van de ethiek en van de morele verantwoordelijkheid van de enkeling in de gemeenschap geleefd. Ik heb gerespecteerd wie en wat er te respecteren was. Ik heb mijn regio en mijn land trouw gediend, en mijn land heeft me goed behandeld. Want ik heb me, zonder hinder te ondervinden, kunnen ontplooien op een manier die weinigen vergund is.”