Duitsers én Russen hebben Seelow vergeten

SEELOW, 22 APRIL. Voor het museumpje Seelower Höhen, in het Oostduitse stadje Seelow, dat tot vijf jaar geleden, in de toenmalige DDR, Gedenkstätte der Befreiung was en dat nu - het kan geen toeval zijn - volgens een in 1992 uitgegeven gids iets neutraler Gedenkstätte/Museum heet, staan oude krijgsmiddelen. Een oude T-34 tank, een 152 mm houwitser uit 1943, een 76 mm kanon uit '42 en een BM-13 raketwerper op een vrachtwagen, bijgenaamd Katjoesja, uit de gevreesde familie der zogeheten 'Stalin-orgels'. Voorts een grote luchtafweer-schijnwerper, die kennelijk ook een rol heeft in dit stille verhaal. Groen geverfd staat het oude materiaal op een pleintje voor het museum, waarachter een twintig meter hoog standbeeld van een Sovjet-soldaat oprijst. Het museum is er pas sinds 1972, maar die soldaat staat er sinds najaar 1945, na een spoedopdracht aan de destijds beroemde kunstenaar Lev Kerbel (die ook de tamelijk massieve Sovjet-monumenten in Küstrin en Berlijn-Tiergarten ontwierp).

Seelow is het stadje waar, deze week vijftig jaar geleden, een paar dagen een gigantische slag woedde die, in minder dan 72 uur, ruim 50.000 doden (33.000 Russen, 12.000 Duitsers, nog eens zoveel vermisten) zou eisen. Het gevecht om de Seelower Höhen was, zo'n twintig kilometer achter de Oder-vestingstad Küstrin, de laatste grote slag voor het Rode Leger aan de verovering van Berlijn, 70 kilometer verder naar het westen, kon beginnen. Stalin had grote haast, hij vertrouwde de Amerikaanse en Britse geallieerden maar half en wilde per se Berlijn veroverd hebben voordat zij er waren. Eind maart had hij de maarschalken Zjoekov en Koniev naar Moskou laten komen en bezworen dat zij Berlijn liefst al op 21 april veroverd moesten hebben.

Zjoekov stond begin april op 195 kilometer van Berlijn, met zijn Eerste Witrussische Front (775.000 man) tussen het Oder-Havel- en het Oder-Spreekanaal. Zijn concurrent Koniev was met het Eerste Oekraïnse Front ten zuiden van Frankfurt de Neisse al over. Uiterlijk 16 april moest hun laatste grote aanval beginnen, via Seelow, dat in één dag genomen moest worden. Vandaar moest in vijf dagen Hitlers hoofdstad worden bereikt en snel worden ingenomen. Op het Tweede Witrussische Front van maarschalk Rokossovski, dat langs de Oostzeekust iets was vertraagd, moesten zij toch maar niet wachten, zo beval Stalin.

Wat het Derde Rijk nabij Berlijn nog aan materieel en mensen beschikbaar had, was intussen allang grotendeels ten oosten van die stad samengetrokken onder het dak van de legergroep-Weichsel. Bij Seelow was het Negende Leger onder generaal Helmut Weidling midden april de zwaarste kern van die samengeperste en gedecimeerde legergroep geworden. Weidlings leger kende eenheden met nieuwe Tiger-tanks en eenheden met totaal versleten tanks, soms met vrij grote hoeveelheden minutie, soms nagenoeg zonder. Er werd over en weer materieel en brandstof 'georganiseerd' (gestolen). De mankracht was al even gevarieerd: oude slecht geoefende mannen van de Volkssturm, politiemensen, fanatieke SS-eenheden en jongens van de Hitlerjugend, angstige mannen van de arbeidsdienst, soldaten die in Oost-Europa de vernietiging van hun eenheden hadden overleefd. Bijeengehouden werd het geheel door de angst als deserteur of lafaard te worden gefusilleerd of opgehangen, de voorbeelden daarvan hingen in de open lucht aan de bomen. Een rol speelde, net als bij de burgerbevolking, ook de grote angst voor het Rode Leger. Bijna elke Duitser kende de oproep van die dagen van Ilja Ehrenberg: “Soldaten van het Rode Leger, er bestaan geen onschuldige Duitsers; dood hen, dood hen! En breek de racistische trots van de Duitse vrouw met geweld”.

's Ochtends heel vroeg op 16 april begon Zjoekovs offensief met een geweldige vuurstorm die echter vooral verdedigingsposities trof die de Duitsers alvast hadden ontruimd. Zjoekovs generaals hadden het gedachte slagveld met ruim 130 grote luchtafweerschijnwerpers verlicht, wat vooral betekende dat de Sovjet-infanterie langs de weg Küstrin-Seelow en masse in een verlichte trechter belandde waarin de Duitse artillerie een bloedbad aanrichte. 's Middags belde een razende Stalin met de vraag waarom Zjoekov, die een paar maanden later in ongenade zou vallen, Seelow ondanks een personeel overwicht van 3,5:1, een tankoverwicht van 4:1 en een artillerieoverwicht van 6:1 nog steeds niet had ingenomen. De arme maarschalk zette daarna zonder zijn generaals vooraf in te lichten maar tankdivisies in, die op de smalle wegen door de eigen infanterie ploegden, vele slachtoffers maakten en bovendien zo onbeweeglijk raakten dat de Duitse artillerie - het was die dag vijftig jaar geleden helder en zonnig weer - opnieuw tot prijsschieten kon overgaan.

Uiteindelijk, door de overmacht aan mensen en materieel die Zjoekov ondanks grote verliezen in de Seelowse flessehals bleef sturen, kon hij na een paar dagen de opmars naar Berlijn vervolgen en nog tijdig met Konievs Oekraïnse Front contact maken. De beslissing was gevallen, de slag om Berlijn kon nu beginnen.

Naast het museum in Seelow is een kleine bibliotheek annex kantoor gevestigd. Onder de toonbank bewaart de beheerster, die hier al twaalf jaar werkt, de drukwerken die in DDR-tijden zijn gewijd aan het militaire verloop der dingen in april 1945 en de eeuwige vriendschap die daarna onder het patronaat van Ulbricht en Honecker en hun SED uitbrak tussen de volken van de DDR en de Sovjet-Unie. Een gidsje uit 1985 is interessant om naast de nieuwe, 'verenigd Duitse' uitgave van '92 te leggen. In dat DDR-gidsje zal men bijvoorbeeld de naam Stalin vergeefs zoeken, laat staan enige mededeling over het in ongenade vallen van Zjoekov, de man die toch Berlijn veroverde. In de editie van 1992 lijkt de nadruk daarentegen soms sterk te vallen op de vrij dubieuze militaire kwaliteit van Zjoekovs optreden op en rond de Seelower Höhen.

In die laatste editie is ook een briefje opgenomen dat een Duits ouderpaar in 1951 schrijft. Het bedankt het Rode Kruis voor de inlichtingen over de dood, midden april 1945 nabij Seelow, van een 21-jarige zoon. Maar die zoon had een broer, die een dag later in dezelfde buurt gesneuveld moet zijn. Of zij, zes jaar later, daarover wellicht nog meer kunnen horen?

Theodor Fontane, de grote reizende croniqeur van de Mark Brandenburg, bezocht Seelow in mei 1860, vlak voor Pinksteren. Hij heeft toen vroeg 's avonds op die heuvel gestaan met uitzicht op de wijde Oderbruch, op de plaats waar de stenen Sovjet-soldaat nu alweer vijftig jaar staat. “Die Feuchte des Bruches liegt dann wie ein Schleier über der Landschaft, alles Friede, Freude, Duft, und der ferne, halb ersterbende Klang von dreissig Kirchentürmen klingt in der Luft zusammen, als läute der Himmel selber die Pfingsten des nächsten Morgen ein.” Dat was 1860. Sinds april 1945 kan er niet meer zo over Seelow worden geschreven, zelfs niet als het er mooi weer is. Sinds die ene aprilweek, nu vijftig jaar geleden, vergeten Duitsers én Russen Seelow, dat stil-bloederige tussenstation op de weg naar Berlijn, met genoegen. Wie er toch heengaat heeft dat museumpje bijna alleen voor zichzelf.