De toeristenindustrie (I)

In de eerste helft van de twintigste eeuw was Italië het land van de dieven. Ga je naar Italië? Dan mag je wel oppassen! De toeristenindustrie stond nog in de kinderschoenen, was er misschien nog niet. Dr.C. Kruyskamp maakt er in zijn negende druk van Van Dale (1970) geen melding van. In de twaalfde wordt het woord beschouwd als de vertaling van tourist industry en synoniem geacht met reiswezen.

Ik vraag me af of die zienswijze nog te verdedigen valt. Het reiswezen omvat alles wat met reizen te maken heeft met dien verstande dat de reiziger degene is om wie alles draait. In het reiswezen is de reiziger de koning. Langzamerhand is dat anders geworden. De toerist is geen reiziger; hij is een industrieel verschijnsel en als zodanig een eigenaardige mengvorm van produkt en grondstof.

De grondslag voor de moderne toeristenindustrie is door de Napolitanen gelegd toen ze door de Amerikanen werden bevrijd. Curzio Malaparte beschrijft in zijn roman De Huid hoe verlofgangers van de Amerikaanse vloot aan land gaan met de bedoeling eens flink te passagieren. Terwijl de matroos zijn eerste verkennende schreden aan wal zet, wordt hij door de taxateurs van de toeristenindustrie tersluiks op zijn waarde geschat en dan bij opbod of afslag verkocht. Heeft die transactie haar beslag gekregen dan meldt zijn eigenaar zich bij hem aan, als hulpvaardige gids, dankbare bevrijde, kenner van de stad, al naar de voorafgaande diagnose dat heeft voorgeschreven. Vroeg in de ochtend wordt hij door de MP in een steegje gevonden. Zijn enige bezit is dan zijn onderbroek die de industrie van deze vrome stad hem heeft gelaten. Hij is verwerkt, hij is als kant en klaar produkt uitgeworpen nadat hij van al zijn grondstoffen is ontdaan.

Dit Napolitaanse productieproces demonstreert de toeristenindustrie in haar oervorm en daardoor zo zuiver mogelijk. De toerist blijft over als afval. Zonder afval kunnen de industrieën niet produceren, dat is algemeen bekend. De toeristenindustrie is de uitzondering omdat ze de enige is die naar haar eigen afval is genoemd.

Laten we het vraagstuk van de zonnige kant bekijken. In Italië ben ik een jaar of veertig geleden op de slimste manier bestolen. Ik reed in een Volkswagen model kever waarin de benzinetank en de reserveband onder de voorklep zijn ondergebracht. Eerst ging ik tanken, bleef achter het stuur zitten, werd door de bediende hoffelijk behandeld. Hij waste de voorruit en zwaaide me na. Een half uur later kreeg ik een lekke band. Waar was de reserveband? Die, heb ik me bij de reconstructie bedacht, was in het benzinestation achtergebleven. De bediende had hem onder dekking van de klep eruit gehaald en tussen de wielen op de grond gelegd, en daarna was ik, zijn afscheidsgroet beantwoordend, eroverheen gereden. Zo simpel, zo geniaal. Hoeveel volkswagenreservebanden heeft de toeristenindustrie toen wel geproduceerd!

Het was in de tijd dat reizigers en toeristen al hun identificatie- en waardepapieren nog in één tas bewaarden. Nu verstop je dat allemaal volgens je eigen systeem van strategische spreiding. Toen, het was in Bologna, had ik de waardetas op het dak van de auto gelegd, was afgeleid en had hem daar bij het wegrijden laten liggen. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik een Italiaan die rennend en armzwaaiend in dezelfde richting ging. Bewegelijk volk, dacht ik - maar het lijkt wel of hij met mijn tas zwaait. Zo was het. Niet iedereen hoorde toen tot het personeel van de toeristenindustrie.

Vorige week zaterdag liep ik over de Dam. Iedere zaterdag staan daar kramen, huisjes, containers met raampjes, er worden vlaggetjes gehesen, folders uitgedeeld, er wordt op trommels geslagen en gezongen. Ik maakte een wijde bocht om een handklappend, hemelkijkend groepje Jezus Rock zingende zendelingen te vermijden en zo liep ik in een foldertjesfuik. Ik kreeg een op glanspapier in kleuren gedrukt vlugschrift, getiteld: AMSTERDAM Een stad om nooit te vergeten. Op het plaatje zie je hoe een jonge vrouw argeloos wacht tot het licht voor de voetgangers groen wordt. Schuin achter haar een jongeman van wie je denkt: waarschijnlijk een loketbeambte bij Volkshuisvesting die straks naar een programma van de EO gaat kijken. Het is niet uitgesloten, maar op het moment dat de foto is genomen is hij bezig, de portemonnee uit de jaszak van de vrouw te halen. Ik vind het een gelukkige typecasting. Dit plaatje wil zeggen: in deze stad is van iedereen alles te verwachten.

Misschien wel een half jaar al hangen hier en daar aan Amsterdamse lantarenpalen borden waarop een grote tas staat afgebeeld, met het onderschrift: Hebt u deze nog? Het foldertje bevat in vijf talen een handleiding tot verdediging tegen zakkenrollers. Dat waarschuwingsbord met de boodschappentas heeft alleen de Nederlandse tekst. Maar afgezien daarvan, ik ken behalve Amsterdam geen enkele stad waar zo uitvoerig en polyglot wordt gewaarschuwd tegen de pest der zakkenrollers. En sterker, er is buiten Amsterdam geen stad waar ik zoveel mensen ken van wie zo vaak de tas of de zak is gerold.

Het rollen van de zak is een moeilijk vak. Het moet worden geleerd. Daarvoor zijn scholen waar het belangrijkste lesmateriaal bestaat uit een pop die in een pak met veel zakken is gekleed. Aan iedere zak is een zeer gevoelig belletje bevestigd, gevoeliger dan de mens die zo'n pak zou dragen. De leerlingen moeten alle zakken rollen en pas als ze dit kunnen zonder dat er ook maar één belletje heeft gerinkeld, zijn ze geslaagd voor hun toelatingsexamen. Daarna komen de andere onderdelen van het lesrooster.

Siate più furbi dei borsaioli, zoals men zegt.

(wordt vervolgd)