De hele werkelijkheid van de Republiek

JONATHAN ISRAEL: The Dutch Republic. Its Rise, Greatness, and Fall. 1477-1806. The Oxford History of Early Modern Europe

XXX + 1231 blz., geïll., Clarendon Press 1995, ƒ 77,-

In het najaar verschijnt bij uitgeverij Van Wijnen te Franeker de Nederlandse vertaling in vier gebonden delen en voorzien van extra illustraties. Jonathan Israel zal op 28 april a.s. een lezing geven bij boekhandel Donner, Lijnbaan 150 te Rotterdam. Aanvang 19.30 uur. Na afloop is er gelegenheid tot het stellen van vragen. De toegang is gratis.

Dit is een handboek van ongewone omvang en reikwijdte. Er is in geen enkele taal een moderne geschiedenis van de Nederlandse Republiek beschikbaar die er mee vergelijkbaar is. De lezer voelt zich bladzijde na bladzijde vervuld van bewondering voor de breedte ervan, de analytische diepte en de vitaliteit van de verhaaltrant. Dit zal zonder twijfel voor ten minste één generatie de standaardtekst blijven. Niemand zal binnen afzienbare tijd proberen de onderneming op dit niveau over te doen.

Het telt meer dan 1200 pagina's. Dat is veel. Maar de ervaring leert dat dit de maat is die een verhalende geschiedenis van de Republiek behoeft. In zijn Geschiedenis van het Nederlandse Volk die P.J. Blok omstreeks 1900 begon te publiceren en die de eerste volgens moderne wetenschappelijke methoden opgezette synthese van het thema vormt, werden ongeveer 1500 pagina's aan de Republiek gewijd. Geyls Geschiedenis van de Nederlandse Stam uit de jaren 1930 had (in de driedelige, van 1932 tot 1964 verschenen, Engelse vertaling van de passage over Opstand en zeventiende eeuw) er ruim duizend voor nodig.

Israel bezit een gulzige intelligentie, een buitengewone werkkracht en een grote ervaring. In 1982 verscheen zijn The Dutch Republic and the Hispanic World, in 1989 zijn Dutch Primacy in World Trade, 1585-1740 (beide door P.W. Klein in deze krant besproken op resp. 11-2-83 en 26-8-89), in 1990 zijn Empires and Entrepots, in 1991 tenslotte het door hem geredigeerde en voor een groot deel door hemzelf geschreven The Anglo-Dutch Moment. Essays on the Glorious Revolution and its World Impact (door Peter van Rooden besproken op 5-10-91). Aangezien in deze boeken niet alleen de economische geschiedenis van de Republiek maar ook de politieke uitvoerig werd beschreven kon Israel in zijn nieuwe werk heel wat uit het oudere hergebruiken. The Dutch Republic bevat echter veel meer dan dit. Het heeft de ambitie de hele werkelijkheid te behandelen. Religie, kunsten, staatsinstellingen, sociale condities en sociale zorg, militaire zaken, universiteiten, het komt allemaal ter sprake, op de juiste plaats, heeft men de indruk, in goed geordende samenvattingen. Het boek heeft een zeer hechte structuur. Men bewondert het evenwicht van de bouw en de verstandige dosering van het materiaal.

Overwichtswerken van zo grote omvang zal niemand in één ruk willen lezen. De Nederlandse gebruiker die met de geschiedenis enigszins op de hoogte is treft hier uiteraard veel aan dat hij al sinds jaren kent en zal geneigd zijn bepaalde passages te laten voor wat ze zijn. Toch is dat niet aan te bevelen. Israel ziet namelijk kans ook onderwerpen die hij blijkens zijn annotatie vooral uit secundaire literatuur heeft bestudeerd op een frisse manier te beschrijven. Slechts zelden beperkt hij zich tot zuivere compilatie en nooit vergeet hij de geboden informatie in het geheel van zijn verhaal en interpretatie in te passen. Het is soms of Israel heeft willen tonen dat een juiste behandeling van de economische, politieke, culturele en religieuze geschiedenis tot meer leidt dan een optelsom. Wat als gevolg van wetenschappelijke specialisatie afzonderlijke gebieden zijn geworden, blijken in dit boek elementen van een samenhangende werkelijkheid; en zo hoort het natuurlijk ook, want ieder van ons participeert aan al deze activiteiten van de menselijke gemeenschap tegelijkertijd, en op bijna elk moment van zijn bestaan is hij een geschikt object voor onderzoek door de deskundigen op al deze studieterreinen.

Opstand

Zoals gezegd, dit is een handboek, een overzichtswerk, en Israel heeft zich aan de eisen van het genre aangepast. Hij deelde zijn verhaal strikt chronologisch in en volgde daarbij de conventie. Het verhaal als zodanig ziet er vertrouwd uit. Er wordt vrij veel aandacht besteed aan de Opstand (ruim 200 bladzijden). De grote periode van de Republiek, beginnend in de door Fruin in 1857/58 met zo'n intensiteit beschreven Tien jaren, namelijk de jaren 1588-1598, en eindigend met de dood van Koning-Stadhouder Willem III in 1702, telt ruim 700 pagina's. De slotperiode van 1702 tot 1806 - hier in haar geheel wel heel bruusk 'The Age of Decline' genoemd - beslaat er slechts ongeveer 180. Blok koos bijna een eeuw geleden vergelijkbare proporties maar wijdde toch naar verhouding meer aandacht aan de achttiende eeuw dan Israel er voor over heeft. Bij Geyl ligt de zaak anders. De achttiende eeuw tot 1798 (daar hield hij op) beheerst bijna de helft van zijn Stam, en dat dit zijn geschiedenis uit balans bracht, wie zal dat ontkennen? Toch is Israels betrekkelijke onverschilligheid ten aanzien van dit tijdvak merkwaardig, gegeven het feit dat het juist op het ogenblik in de Nederlandse geschiedschrijving vrij grondig in bewerking is. De verklaring ligt overigens voor de hand. Zelfs voor een buitenlandse historicus als Israel die Nederland van zeer nabij kent en doorziet, ligt de zin van de Nederlandse geschiedenis in sterkere mate dan voor de Nederlandse waarnemer in de zeventiende-eeuwse grootheid van het land. De kern van zijn boek is dan ook de analyse van die grootheid, en zijn inspiratie is de onuitputtelijke belangstelling die hij voor de schittering van de samenleving en cultuur uit die ene periode heeft. Het zijn voor hem, zoals voor talloze andere buitenlandse historici, in het bijzonder de Opstand en de Gouden Eeuw die de Noordelijke Nederlanden een stevige positie in de Europese geschiedenis geven.

Wie het vroegere werk van Israel enigszins kent is natuurlijk benieuwd naar zijn omgang met de elementen die hij daarin niet uitvoerig behandelde. Men wordt bepaald niet teleurgesteld. Het is waar, de aperçus over de schone kunsten zijn enthousiast en deskundig maar houden zich buiten alle discussie die over hun aard de laatste jaren werd gevoerd, en de zeventiende-eeuwse letterkunde komt niet goed ter sprake. Verve

De wetenschap echter, de wijsbegeerte en vooral de godsdienst hebben Israel heel mooie passages in de pen gegeven. Men ziet hem hier aan het werk met gegevens die een ander soort benadering vragen dan de data van politiek en economie. Israel blijkt ook met deze materie voortreffelijk uit de weg te kunnen. Met verve en gevoeligheid beschrijft hij de opkomst van het protestantisme, de grote debatten binnen het calvinisme, de twijfel aan de waarde van het christelijke wereldbeeld op het einde van de zeventiende eeuw.

Israel bezit over deze zaken veel kennis en hij heeft de materie kennelijk zo diep doordacht dat hij iets kan overbrengen van de zorgen over de teloorgang van oude waarheid en de blijdschap over intellectuele ontvoogding. Hij is ook zeer levendig in de weer wanneer hij de universiteiten beschrijft, de buitenlandse studenten, de beoefening van de wetenschappen die hij met forse trekken schetst. Met uitzondering van de rechten merkwaardigerwijze, hoewel die studie nu juist veel belangstelling trok. Voor de rechtsgeleerdheid en de politieke theorie in deze sterk juridisch denkende eeuw interesseert Israel zich in feite zo weinig dat hij de opvattingen van Hugo de Groot over religie en kerkpolitiek wel uitvoerig behandelt, aan diens juridische studies en zijn De iure belli ac pacis, in de Nederlandse traditie geprezen als het grootste werk ooit uit een Hollandse pen gevloeid, echter in het geheel geen aandacht besteedt. Men ziet het, zelfs Israels intellectuele appetijt heeft grenzen.

Israel is een man met standpunten. Hij poneert er ook hier enkele die vermeld moeten worden. Sommige kenden wij al uit vroeger werk. Zij hebben betrekking op de economische geschiedenis en op de waarde van de politieke instellingen. Men vindt ze hier herhaald en bevestigd. Maar er is een nieuw standpunt bijgekomen, zoals de auteur al op de eerste bladzijde van zijn Voorwoord meedeelt: hij is het oneens met de visie van zijn voorganger Geyl. Geyl bezette van 1919, toen zij werd opgericht, tot 1936 de sedert 1985 door Israel beheerde leerstoel Nederlandse geschiedenis te Londen. Volgens Israel meenden Geyl en zijn vele navolgers ten onrechte dat de zeventien door Bourgondische en Habsburgse heersers min of meer verenigde Nederlanden op weg waren naar de vorming van een echte staat.

Voorgeschiedenis

Israel ontdekte dat de noordelijke en de zuidelijke gewesten zich al sinds eeuwen op volstrekt verschillende wijze hadden ontwikkeld zodat de scheiding die in de jaren 1570 tussen het noorden en het zuiden plaats had geen breuk in een beginnende eenheid was maar het onvermijdelijke resultaat van een zeer lange voorgeschiedenis. Bovendien leert Israel ons, verwierf de provincie Holland al in de middeleeuwen ten noorden van de grote rivieren de dominerende positie en sprak het vanzelf dat zij in de zeventiende eeuw een hegemoniale rol zou spelen. Met andere woorden, de Opstand heeft een Republiek tot stand gebracht die min of meer natuurlijk uit het verleden is voortgekomen.

Toen Klein in 1989 met groot respect Israels Primacy samenvatte, schreef hij dat diens in heftige polemiek tegen vakgenoten verdedigde indeling van de economische geschiedenis overeenkwam met wat zo'n vijftig jaar geleden op de Nederlandse lagere school werd onderwezen. Ook nu ontkomt men niet aan zo'n oordeel. Zó leerden wij het in de jaren twintig en dertig. De Zuidelijke Nederlanden hoorden niet bij de vaderlandse geschiedenis; en wanneer we de middeleeuwen kregen dreunden wij de namen van de Hollandse graven en niet die van de Gelderse hertogen op. Het stelt gerust dat wij, na alle toch ogenschijnlijk heel pertinente kritiek op het traditionele Hollandocentrische geschiedbeeld en op de voorstelling van een fundamentele gespletenheid van de Lage Landen in een door Vlaanderen en een door Holland beheerst segment, terug zijn bij af. Maar al heeft iemand van Israels kaliber natuurlijk nooit helemaal ongelijk - daarvoor is zijn inzicht te scherp -, ik geloof toch niet in ernst dat zijn opvattingen over deze thema's van veel nut zullen zijn. De verdiensten van dit magnifieke boek liggen elders.