De filosoof en de sluipmoordenaar

Een gebergte in de Nederlandse literatuur is het oeuvre van S. Vestdijk wel genoemd. Van zijn tweeënvijftig romans horen er heel wat tot de pieken in dat gebergte. H.Br. Corstius en Maarten 't Hart herlezen er ieder zesentwintig en doen om beurten verslag van hun ervaring. Vandaag: De Filosoof en de Sluipmoordenaar (1961)

Vrij uitzonderlijk is bij Vestdijk dat de kwelgeesten die het leven zijner hoofdpersonen soms zelfs in een hellevaart weten te herscheppen, al dadelijk op de eerste pagina van één zijner romans hun opwachting maken. In De Filosoof en de sluipmoordenaar wordt de filosoof Voltaire reeds in de eerste zin van de roman door drie mannen gemolesteerd. Een kolonel snelt te hulp en verdrijft de drie kwelgeesten. Waarop Voltaire zijn redder bestookt met spitsvondigheden en geestigheden die bij de kolonel niet in goede aarde vallen. Voltaire merkt dat en zegt dan:“Ik ben ervan overtuigd, mijnheer, dat u zich geprikkeld voelt door mijn grapjes. Maar die wijzen erop hoezeer ik in angst gezeten heb! Niemand zo welbespraakt als die zojuist uit de hel in ontsnapt, en in die zin zou men onze beroemdste advocaten ook trawanten van de duivel kunnen noemen.”

Zo lijkt het wel of Vestdijk met zijn vaste attributen - kwelgeesten, de hel, trawanten van de duivel - reeds bij de aanvang van zijn roman al zijn kruit verschoten heeft. Niets blijkt echter minder waar. Kennelijk bezwoor hij aldus zijn spoken, en kreeg hij daarna ruimte voor één van zijn lichtvoetigste, aantrekkelijkste, amusantste romans. Een spannende roman ook, met de allure van een thriller. Of zoals Hans van Straten in Het Vrije Volk schreef: “In dit hoogst stimulerende boek herkent men duidelijk de structuur van een (historische) detective-roman, waarin komischerwijze niemand minder dan de filosoof Voltaire de rol van detective vervult.”

Voltaire bereidt een biografie voor over de in 1718 in een loopgraaf door een schot omgekomen koning Karel de Twaalfde van Zweden. Dankzij het feit dat kolonel Siquier hem te hulp schiet als hij in 1722 gemolesteerd wordt, komt hij in contact met deze militair. Deze informant was in de loopgraaf aanwezig toen de koning werd doodgeschoten. Sterker nog: de kolonel heeft een keer in een dronken bui geroepen dat hij de schutter was.

De roman van Vestdijk is goeddeels gevuld met gesprekken tussen Siquier en Voltaire over Koning Karel. Daarnaast speelt ook de verloofde van de kolonel, gravin Oxenstierna, een belangrijke rol. Zij hoopt, enerzijds, dat Voltaire Siquier in zijn biografie zal willen vrijpleiten, maar vertelt in een later stadium, anderzijds, dat Siquier háár een keer verteld heeft dat hij de koning doodschoot. Daaruit vloeien weer allerlei verwikkelingen voort. Het komt daardoor zelfs bijna tot een duel tussen Siquier en Voltaire.

Behalve Siquier en de gravin treffen we ook een merkwaardige schilder aan, Holm genaamd. Deze schilder, van overigens onvoltooid blijvende doeken, blijkt een aangrijpend portret te hebben gemaakt van de Koning, welk portret Siquier en Voltaire samen een keer aanschouwen, waarbij Voltaire uit de wijze waarop Siquier op het portret reageert, tijdelijk weer overhelt tot de gedachte dat de kolonel inderdaad het fatale schot moet hebben gelost. Later echter houdt Voltaire de kolonel toch weer voor onschuldig en in zijn in 1731 verschenen biografie heeft Voltaire de kolonel inderdaad in vurige bewoordingen vrijgepleit van alle schuld.

Vestdijk zelf laat ook zorgvuldig in het midden of hij de kolonel voor schuldig dan wel onschuldig houdt, al meende Ben Stroman indertijd in zijn recensie in het Algemeen Handelsblad dat Vestdijk met zijn titel aangeeft dat hij Siquier voor de sluipmoordenaar aanziet. Het vermakelijke is dat als je de overwegend zéér positieve recensies leest die in 1961 de roman verwelkomden, de recensenten ook uiteen ziet vallen in twee groepen: zij die de kolonel voor de moordenaar houden, en zij die van mening zijn dat hij onschuldig is. Daaruit volgt in ieder geval hoe geraffineerd Vestdijk zijn roman schreef - hoeveel informatie je ook krijgt, het mysterie van de dood van Karel de Twaalfde wordt niet opgehelderd, ondanks het feit dat Vestdijk ergens in de roman schrijft: “Een groot filosoof zou de dader kunnen aanwijzen”.

De schranderde, spitse, sluwe Voltaire, door Saint Beuve beschreven als een man die de duivel in zich had, en door Joseph de Maister als de man in wiens handen de hel haar ganse macht had belegd, lag Vestdijk verbazend goed. Als gevolg daarvan is een werk ontstaan dat je iedereen kunt aanbevelen die nog nooit eerder een roman van Vestdijk las, al lijkt het onderwerp - het treffen van voorbereidingen tot het schrijven van een biografie - op voorhand weinig aantrekkelijk, als je daarin bijvoorbeeld niet de leuke clou verwerkt dat een andere biograaf jou opeens na stugge arbeid van een dozijn jaren de loef afsteekt. Mij wil dan ook maar één andere roman te binnen schieten over ditzelfde onderwerp: The real life of Sebastian Knight van Vladimir Nabokov. Zou Vestdijk die reeds in 1941 verschenen roman hebben gekend? De overeenkomsten zijn treffend. Beide werken hebben de structuur van een detectiveroman, en parodiëren tegelijkertijd het genre, en de gravin uit Vestdijks roman speelt daarin net zo'n rol als de verrukkelijke Madame Lecerf in Nabokovs roman. In Nabokovs roman komt bovendien een passage voor over een onvoltooid schilderij (“De schilder heeft het witte vlak nog niet ingevuld, op een dunne, gebruinde arm na”) die dadelijk herinnert aan de onvoltooide schilderijen van Holm. Toch houd ik het voor hoogst onwaarschijnlijk dat Vestdijk de roman van Nabokov kende. Zou hij hem wel hebben gekend, dan had hij De filosoof en de sluipmoordenaar waarschijnlijk niet geschreven, vanwege het besef namelijk dat die schitterende roman van Nabokov moeilijk te overtreffen zou zijn. En dat zou heel jammer zijn geweest, want De filosoof en de sluipmoordenaar is een van de parels in het oeuvre van Vestdijk.