De beschaving van Groningen

V.C. SLEEBE: In termen van fatsoen. Sociale controle in het Groningse kleigebied 1770-1914

536 blz., geïll., (Groninger Historische Reeks, deel 11), Van Gorp 1994, ƒ 79,50

“Dit boek gaat over mensen die iets doen wat niet mag.” Met deze zin begint Vincent Sleebe zijn belangwekkende boek In termen van fatsoen, waarop hij in het najaar van 1994 aan de Rijksuniversiteit Groningen promoveerde. Zijn onderzoek maakt deel uit van een groots project, waarbij twee gebieden, de Oostbrabantse zandgronden en het Groningse kleigebied, met elkaar vergeleken worden. In de historische wandelgangen wordt dit het 'project integrale geschiedenis' genoemd, waarvan de in 1992 overleden prof. Theo van Tijn de geestelijk vader is. Als centraal bindend thema fungeert daarbij 'de kwaliteit van het bestaan'. De bij dit project betrokken onderzoekers hanteren als definitie van dit begrip “de verhouding tussen opvattingen en voorstellingen die een groep mensen ten aanzien van haar bestaan of aspecten daarvan heeft en de mate waarin haar reële leefsituatie in eigen ogen hieraan voldoet”.

Sleebe concentreert zich in zijn onderzoek op de mate waarin de 'voorgeschreven orde' en de 'geleefde praktijk' met elkaar overeenstemmen dan wel verschillen vertonen. Om de overvloed aan onderzoeksgegevens te kunnen ordenen en lijn in de ontwikkelingen te kunnen aanbrengen, hanteert hij het begrip 'sociale controle' als leidraad. In ons taalgebruik is sociale controle steeds meer een paraplubegrip geworden. De term slaat zowel op het mechanisme van ordening van de samenleving als op het overdragen van een bepaald soort waarden en normen. Sleebe is zich ervan bewust dat - mede door betekenisveranderingen in de loop der tijd - het begrip veelal òf een positieve òf juist een negatieve connotatie heeft. Hij vat het begrip liefst zo neutraal mogelijk op door sociale controle als een vorm van macht te beschouwen.

Onderscheid

Sleebe maakt een onderscheid in drie systemen van sociale controle, uitgeoefend door respectievelijk de volkscultuur, de kerken en de overheid. Het eerste systeem, weinig verhelderend met volkscultuur aangeduid, beweegt zich vooral op het terrein van de informele sociale controle. Roddel, spot, een slechte reputatie, stigmatisering, uitstoting en verschillende vormen van geweld vormen het belangrijkste arsenaal van maatregelen dat tegen overtredingen van impliciete regels in stelling wordt gebracht. Hierbij hield - zoals ook elders in het land - het brengen van een serenade met ketelmuziek tot ver in de twintigste eeuw stand. Vanouds was dit de manier om huwelijksontrouw en het slecht behandelen van een echtgenote of van een stiefkind onder de aandacht van het grote publiek te brengen. Dat deze volksgerichten met de tijd meegingen blijkt uit het feit dat in de jaren twintig van deze eeuw in Finsterwolde stakingsbrekers met ketelmuziek naar huis begeleid werden. Als nieuwste snufje werd, naast de bekende deksels van ketels en pannen, ook het petroleumvat gebruikt om herrie te maken.

Zondagsrust

Het tweede systeem is dat van de kerken, waarin zowel van formele als van informele sociale controle sprake is. Het kerkelijk recht en de kerkelijke tucht zijn immers zowel gebaseerd op zeer formele regelgeving (bijvoorbeeld de tien geboden) als op informele beïnvloeding van gelovigen door preken of het uitdelen van vermaningen. Helemaal waterdicht was het regelgevingsysteem van de kerken overigens niet. Vooral de handhaving van de zondagsrust leverde de gereformeerden nogal wat hoofdbrekens op. Zo werd in de kerkeraad van Appingedam in 1903 serieus gesproken over het aanleggen van een lijst waarop mensen konden intekenen die van de zondagse postbestelling verstoken wensten te blijven. Een jaar eerder werd de dominee van Winschoten door zijn eigen kerkeraad vermaand omdat hij op zondag van het openbaar vervoer gebruik maakte. Dat hij dit deed omdat hij elders moest gaan preken was geen geldig excuus.

Het derde systeem van sociale controle is het meest formele. De overheid is in de loop van de 'lange negentiende eeuw' door haar steeds sterkere centralisatie en machtsverwerving een groter stempel gaan drukken op zowel de uitoefening als de richting van de sociale controle. Zij kreeg niet alleen meer vat op de bestrijding en bestraffing van criminaliteit, maar begon ook op steeds meer terreinen officiële regels uit te vaardigen. Daarmee drukte zij de regelsystemen van de volkscultuur en - in mindere mate de kerken - in het defensief. Of ligt een deel van de verklaring van het 'succes' van de overheid in de zwaarte van de straffen? De vele voorbeelden die Sleebe geeft wekken de indruk dat soms draconische straffen werden uitgedeeld. Als illustratie de lotgevallen van Maria Hendriks. Deze in Den Bosch geboren vrouw had in Uithuizen een hemd gestolen. Als motief noemde zij zelf: armoede. Zij was naar Groningen gekomen om werk te zoeken. De rechter oordeelde dat zij helemaal geen moeite had gedaan om werk te vinden en beschouwde haar daarom als een 'gevaarlijk landloopster'. Maria Hendriks werd tot drie jaar tuchthuis veroordeeld.

Sleebe legt er overigens wel de nadruk op dat de overheid steeds minder met bestraffing haar 'hoger' normen- en waardenpatroon hoefde op te leggen. Steeds meer maatschappelijke groepen, de elite voorop, prefereerden deze moderne, meer beschaafde levenswijze. De echo van het werk van Norbert Elias klinkt in deze studie na. Ook op de Groningse kleigronden werd met succes een beschavingsoffensief ingezet. Hierbij speelden volgens Sleebe drie processen een rol: verzakelijking, fatsoenering en privatisering. Met deze constatering is de vinger op de zwakke plek van dit boek gelegd. De conclusie dat dit beschavingsoffensief uit een aantal kleine aanvalspogingen bestond, durf ik nog wel te onderschrijven, maar dat al die pogingen op een zelfde doel waren gericht, namelijk “het vergroten van de fatsoenlijkheid in de samenleving”, riekt mij te veel naar functionalisme en finalisme.

Verlichting

Dat een bestudering van de wisselwerking tussen de voorgeschreven orde en de geleefde praktijk niet noodzakelijkerwijs in een Eliasiaans keurslijf geperst hoeft te worden, bewees onlangs Gerard Rooijakkers in Rituele repertoires (zie de boekenbijlage van 21 januari). Er zijn nu dus twee ongeveer gelijktijdig verdedigde proefschriften met een nauw verwant onderzoeksthema, maar met een verschillende uitwerking. Het grote verschil schuilt hierin dat Rooijakkers voor een belangrijk deel via een omweg aan zijn informatie komt en dat Sleebe zich uitsluitend baseert op schriftelijke bronnen.

Waar Rooijakkers zich veel moeite getroost om de bronnen zo veel mogelijk van hun normatieve lading te ontdoen, past Sleebe maar mondjesmaat bronnenkritiek toe. Hij maakt de woorden van de negentiende-eeuwse pennevoerders wat te gemakkelijk tot de zijne. De schoolmeesters, burgemeesters en rechters stonden al in een vroeg stadium onder sterke invloed van de idealen van de Verlichting. Dat deze groep een hogere vorm van beschaving voorstond, staat al sinds jaar en dag in de schoolboekjes. Hierdoor ontstaat een wel erg vertekend beeld van de kern van de definitie van het begrip 'kwaliteit van het bestaan'. Het is dan ook de vraag hoe een onderzoeker werkelijk zicht krijgt op de opvattingen en voorstellingen van de grote massa van de bevolking en hoe hij kan beoordelen of de reële leefsituatie in eigen ogen daaraan voldoet, als zijn bronnen beantwoording van de centrale vraagstelling eigenlijk onmogelijk maken.