De armoede van het zinvol bestaan

Eén van de onrechtvaardigheden van deze tijd is dat met de neergang van het socialisme allerlei eerzame beroepen en bezigheden meegesleurd worden naar de onderste sporten van de statusladder. Wie durft zich in een eigentijds gezelschap nog bekend te maken als socioloog? In het beste geval kan de ongelukkige rekenen op een vaag soort medelijden, zo in de trant van “gut, wat naar voor je”, of “je vrouw heeft toch wel een baan?”

Meestal echter zijn de omstanders kwaadaardiger en wordt het slachtoffer ter plekke tot de risee van de moderne geschiedenis gebombardeerd. Dat is geen pretje, kan ik u verzekeren, en de enige manier om de lachers tot bedaren te brengen is met veel aplomb te verkondigen dat je uiteraard geen gewone socioloog bent, maar een organisatiesocioloog, met een verdomd aardige adviespraktijk. Het is vernederend jezelf en je vak zo te moeten verraden, maar het is niet anders: de liberale markt stelt haar eigen normen en waarden.

Alle beroepen waarin iets sociaals of maatschappelijks doorklinkt zijn trouwens ten dode opgeschreven. Tenminste, als de naamgeving niet verandert. En daar is men dan ook druk mee bezig. De hele hulpverlening in Nederland is wat titulatuur betreft al niet meer te onderscheiden van een willekeurig schoonmaakbedrijf. Het wemelt daar tegenwoordig van de trajectbemiddelaars, case-managers, zorgmakelaars en behandelcoördinatoren. Dat deze functionarissen iets van doen hebben met mensen van vlees en bloed wordt op deze manier zorgvuldig verzwegen, omdat, zo vreest men, de 'paarse' budgetbewakers anders gaan twijfelen aan de doelmatigheid van de organisatie. Als dat gebeurt is men in no time wegbezuinigd.

Een beroep dat sinds het overlijden van het socialisme ook een zeer verweesde indruk maakt is dat van kunstenaar. En vooral dat van beeldend kunstenaar. Nu deze zo helemaal alleen, zonder overheid of ideologie, de markt op moet, vallen de inkomsten vies tegen en is het armoe troef. Dat is vreemd want kunst is, goedbeschouwd, toch een door en door liberale bezigheid. Het gaat meestal om een strikt individuele problematiek die in alle vrijheid op een strikt individuele wijze wordt vormgegeven. Dat zou de Bolkestein-fan toch moeten aanspreken.

Helaas wordt deze op het beeldend vlak vooral ontroerd door het VVD-logo, want de modale Nederlandse kunstenaar verdiende vorig jaar niet meer dan zestig gulden netto met de verkoop van eigen werk. Zijn produkt heeft de huiskamer van het brede liberale midden dus nog lang niet gevonden. En waarschijnlijk komt het daar ook nooit, want de weinige ruimte die over is tussen alle beeldschermen, cd-rekken, design-armaturen en Friese staartklokken reserveert de zelfbewuste middenklasser liever voor een geinige Kuifje-poster, waarmee je tot je achtentachtigste vooruit kunt. En dat weet je van echte kunst nooit zeker.

Het is dus maar zeer de vraag of de beeldende kunst in het liberale tijdperk overeind blijft. De kunstenaars zelf zijn er in ieder geval niet gerust op en verzinnen, net als de hulpverleners, koortsachtig allerlei nieuwe benamingen voor hun kernactiviteit. Beeldproducent, art consultant, conceptontwikkelaar, zelfstandig vormgever, het dondert niet hoe je jezelf noemt, zolang de geur van verf en terpentijn maar niet opstijgt uit de aanbiedingsfolder, waarmee de moderne kunstenaar zijn bedrijfje op de markt tracht te profileren.

Het zijn dezelfde mensen die tien jaar geleden nog uitbundige muurschilderingen maakten in de belangrijkste kraakbolwerken van Nederland, die nu wanhopig met hun bedelbrieven het bedrijfsleven aflopen op zoek naar een sponsor. Een tragisch en weinig verheffend schouwspel. En het levert ook niets op, want de meesten moeten na hun marktverkenning toch weer bij de Sociale Dienst aankloppen om het hoofd boven water te houden.

Nee, alles wijst erop dat de maatschappelijke rol van de kunstenaar is uitgespeeld. Op zijn visie, zijn durf, op zijn verbeelding (die magische eigenschap waarop in de jaren zeventig de hele sociaal-democratie blindvoer), zit vandaag de dag niemand meer te wachten.

Behalve staatssecretaris Nuis. Hij is de enige 'paarse' politicus die zo nu en dan iets moois zegt over de kunst. En hij is ook de enige die vindt, dat de kunstenaars waarachtig nog een taak hebben in dit tijdperk. Zij zijn, volgens Nuis en het verkiezingsprogramma van D66, namelijk “specialisten in zingeving” en die kan hij goed gebruiken. Voor wat precies bleef lang onduidelijk. De staatssecretaris mompelde wel eens iets vaags als dat kunstenaars “oude dingen met nieuwe verbinden”, en dat “een kunstwerk vertelt hoe je de wereld kunt zien”, maar tot vorige week kon niemand zich daar iets bij voorstellen.

Maar nu ligt er dan zijn ontwerp voor de Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars (WIK) en snappen we wat de bedoeling is. Ten minste tienduizend kunstenaars die nu in de bijstand zitten en die zich volgens de nieuwe richtlijnen zo snel mogelijk moeten laten omscholen, krijgen van Nuis alsnog de kans hun zingevende activiteiten op staatskosten voort te zetten.

Zij zijn dan wel verplicht mee te werken aan een uniek sociaal experiment, waarin ze in vier jaar tijd moeten proberen met zestig procent van het bijstandsbedrag een zinvol bestaan op te bouwen. Want dat is de kern van de WIK van Nuis. De kunstenaars krijgen een experimenteel soort basisloon, dat ze jaarlijks mogen aanvullen met niet meer dan die zestig gulden eigen inkomsten.

Hun valt dus de eer te beurt op deze manier de ondergrenzen van de sociale zekerheid in Nederland af te tasten. De historische opdracht voor deze beroepsgroep is aan alle overige categorieën bijstandscliënten te laten zien dat het ook anders kan. En vooral met veel minder. Daarvoor moet je dus veel oude dingen met nieuwe kunnen verbinden en reuze handig met zingeving omgaan.

De staatssecretaris heeft er alle vertrouwen in dat de kunstenaars, creatief als ze zijn, van het experiment een succes zullen maken. Laten we hopen dat hij gelijk heeft, want het is de laatste kans voor de autonome vormgever om iets te betekenen voor de maatschappij van morgen. Jaap Boerdam is socioloog.