Brave bundel over Loe de Jong

Een dure verplichting en een kostelijk voorrecht. Dr L. de Jong en zijn Geschiedwerk

208 blz., Sdu Uitgeverij 1995, ƒ 39,90

“Het zal geen verwondering wekken dat in het jaar waarin de vijftigjarige viering van de bevrijding plaatsvindt deze bundel verschijnt met essays van enkele historici over het werk van dr. L. de Jong”, aldus dr. Madelon de Keizer in de inleiding bij de deze week verschenen bundel Een dure verplichting en een kostelijk voorrecht. Dr. L. de Jong en zijn Geschiedwerk.

Een beetje wel, was mijn eerste gedachte. Immers, veel, zo niet alles is bekend over de totstandkoming van dit standaardwerk. In zijn bundel Tussentijds (1977) bijvoorbeeld doet De Jong uitgebreid verslag over de aanpak van het Geschiedwerk (inderdaad, steeds met een hoofdletter), de uitvoering en de obstakels. Voorts zijn er de talloze interviews met De Jong en wie geen krant leest kent hem van radio of televisie. En dan is er nog het eerste deel van zijn memoires waarin hij op een ongekend openhartige manier de lezer toelaat tot zijn privé-leven.

Obligaat

Na lezing van de nieuwste bundel was mijn tweede gedachte: deze uitgave verdient de kwalificatie obligaat, want er staat nauwelijks iets nieuws in. Het is vooral een brave bundel, waarin veel bewondering doorklinkt voor de aanpak, het doorzettingsvermogen en de omgang van De Jong met de media. Die bewondering is geenszins misplaatst, dr. De Jong heeft inderdaad een titanenarbeid geleverd. Hij staat op eenzame hoogte. Maar dat weten we zo langzamerhand wel. Deze bundel had net zo goed in 1988 kunnen verschijnen, ter gelegenheid van de voltooiing van het geschiedwerk, want een blik op de verschillende notenapparaten leert dat de zes auteurs voor het merendeel hebben geput uit ook toen al bekend werk. Maar bij de Staatsuitgeverij, de uitgever van Een dure verplichting en een kostelijk voorrecht, zal men gedacht hebben “we moeten iets doen - 50 jaar bevrijding kan niet zonder een erebundel voor Loe”. Terwijl de Staatsuitgeverij toch al op het uitstekende idee gekomen was dit jaar diens standaardwerk in pocketvorm uit te geven.

Oud-RIOD-medewerker A.J. van der Leeuw behandelt in zijn bijdrage 'Loe de Jong, het Koninkrijk en het Instituut' de ontstaansgeschiedenis van het instituut, het verwerven van archieven, het ordenen en beschrijven daarvan en de eerste aanzet voor de uitvoering van het 'Geschiedwerk' dat in eerste instantie werd toevertrouwd aan vier wetenschappers. Die opzet mislukte vooral doordat alle vier er een werkkring naast hadden. Uiteindelijk werd De Jong in 1955 aangezocht als enige auteur - terzijde gestaan door de medewerkers van het instituut. En door zijn onovertroffen secretaresse, mevrouw L. Heuwekemeijer, die tot haar pensionering, eind 1982, het moeilijk leesbare handschrift van De Jong uittypte.

Ook staat Van der Leeuw stil bij het feit dat de periode van onderzoek en voorbereiding veel langer heeft geduurd dan was voorzien - iets dat De Jong ook zelf herhaaldelijk heeft opgemerkt. De Jong-kenners weten ook dat hij in twee gevallen ernstig is geattaqueerd: door L. Einthoven, lid van het driemanschap van de Nederlandse Unie, en door het Comité Geschiedkundig Eerherstel Nederlands-Indië. Beide keren uit verontwaardiging over De Jongs zienswijze op respectievelijk de Nederlandse Unie en het koloniale verleden van Nederland.

Een goede eindredacteur zou bij lezing van de bijdrage van de Amsterdamse hoogleraar J.C.H. Blom 'L. de Jong: geschiedschrijver en volksopvoeder' enkele doublures opgemerkt moeten hebben. Evenals Van der Leeuw staat Blom stil bij de wordingsgeschiedenis van het standaardwerk. Ten overvloede meldt hij dat De Jong in het tweede deel van zijn Herinneringen “zonder twijfel uitvoerig (zal ingaan) op het ontstaan van het Geschiedwerk”. Waarom daar dan niet op gewacht?

Ook bij Blom komt de werkwijze van De Jong uitgebreid aan bod. Hoe hij zijn taak in 1955 aanving met het van kaft tot kaft bestuderen van de verslagen van de Parlementaire Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945: “Men kan hem nageven dat hij vermoedelijk de enige is die dat ooit deed”, aldus Blom. Waarom nageven? Voor iemand die hèt standaardwerk over de Tweede Wereldoorlog zou gaan schrijven was bestudering van die verslagen toch een logische noodzakelijkheid? Terecht wijst Blom erop dat behalve het wetenschappelijk gehalte van het standaardwerk de leesbaarheid ervan zeer groot is - maar ook dat is bekend, gezien de oplagecijfers: 2,7 miljoen banden zijn over de toonbank gegaan. Ook aan de kritische kanttekeningen die bij het werk van De Jong zijn geplaatst weet Blom nauwelijks iets nieuws toe te voegen.

Nieuws

Hetzelfde geldt voor de bijdrage van Jan Bank 'L. de Jong over de oorlog in en de dekolonisatie van Indonesië' (De Jong zette grote vraagtekens bij Nederland als koloniale mogendheid, en keerde zich tegen de politionele acties). Voor C. Fasseur die aandacht besteedt aan het beeld van koningin Wilhelmina in het werk van De Jong (dat was positief) en voor H. Beunders die de relatie schetst tussen De Jong en de media (hij regisseerde ze als geen ander). En waar Fasseur met nieuws zou kunnen komen, doet hij het niet. Bijvoorbeeld als hij op pagina 118 de vraag opwerpt of De Jong gelijk heeft wanneer hij het staatsmodel van de liberaal Thorbecke de schuld geeft van het feit dat Wilhelmina in de vooroorlogse jaren slecht werd geïnformeerd over staatszaken en als gevolg daarvan met weinig enthousiasme haar taak vervulde. “Nader historisch onderzoek moet hierover uitsluitsel verschaffen.” Het had in de rede gelegen wanneer Fasseur voor deze bundel dit onderzoek zelf ter hand had genomen.

Lacune

Ook drs. C. Kristel laat de lezer op sommige momenten in het ongewisse. In haar essay over De Jong en de teloorgang van het Nederlandse jodendom staat zij bijvoorbeeld stil bij de opmerking van wijlen emeritus-rabbijn A. Schuster dat De Jong in deel 8 te weinig aandacht had besteed aan de beleving van de joodse godsdienst in Westerbork en Bergen-Belsen. Daarop vroeg De Jong aan Abel Herzberg of inderdaad sprake was van een lacune terzake. “Na een voorzichtig ontkennend antwoord van Herzberg besloot De Jong het grootste deel van de brief van Schuster in deel 13 af te drukken. De lezer moet gissen naar de mening van de historicus over deze brief, want De Jong publiceerde de passage zonder enig commentaar”, schrijft Kristel. Als lezer denk je: had dr. De Jong dan even gebeld.

Haar essay vormt wel de weerslag van een verdienstelijke poging een antwoord te vinden op de vraag naar De Jongs interpretatie van de Holocaust. De Jong lijkt, aldus Kristel, wel oog te hebben voor het unieke karakter van deze misdaad maar achtte het lot dat de joden trof geen exclusief joods lot. In deel 7 zegt hij daarover dat na de joden de christelijke kerken aan de beurt zouden zijn geweest. Terecht merkt Kristel op dat “deze kwestie waarschijnlijk ook geen centrale plaats heeft ingenomen in het denken van De Jong over de Holocaust”. Het ging De Jong inderdaad in de eerste plaats om een zo getrouw mogelijke en consciëntieuze weergave van de donkerste bladzijden uit de geschiedenis van de twintigste eeuw.