'Bio-chemisch gezien is een marathon hetzelfde als een bevalling'

Dr. EUGENE JANSSEN is volgens zijn contract acht uur per week bondscoach van de Nederlandse wegatletiek. Dus rijdt de 46-jarige Limburger morgen met zijn fietsje over het parkoers van de Rotterdamse marathon. Janssen is sport-biochemicus. Ook geeft hij al geruime tijd trainingsadviezen aan de wielerploeg van Jan Raas.

Hij begrijpt dat er in de sport sceptisch wordt gedaan over wetenschappers. Onderzoekscijfers alleen zijn volgens de biochemicus niet toereikend. Eugène ('Gene') Janssen is behalve wetenschapper ook trainer. En dat is, heeft hij vastgesteld, een uitstekende combinatie. “Ik heb een pet met twee kleppen op.”

Hij is zijn hele leven al een sportfanaat. Thuis in Aalbeek, gemeente Hulsberg, werden alle sportuizendingen door het hele gezin, vader, moeder en acht kinderen, via de tv gevolgd. Als actief sporter begon Janssen met voetballen. Hij reikte tot de derde klasse KNVB. Toch laat hij Ajax-Bayern München voor een interview schieten. Dat kost hem geen enkele moeite. Hij vindt “het spelletje” op zich nog wel leuk, maar is afgeknapt op de negatieve randverschijnselen. “We zijn bij het voetbal al zo ver dat we met z'n allen accepteren dat er zondags tussen één en acht uur treinstellen kort en klein worden geslagen.”

Hij verkiest sinds jaren de atletiek en dan vooral het langere werk. “Het sociale gevoel bij de atleten is eigenlijk groter dan bij het voetbal. Dat klinkt misschien gek. Maar het verhaal van het grote gemeenschappelijke doel bij het voetbal is niet waar. Zo'n zes man zijn in een elftal zeker van hun plaats, de andere vijf moeten met vijf reserves strijden. En wie niet speelt zegt dat hij net zo goed of zelfs beter is dan degene die wel spelen. Oké, ze willen allemaal winnen. Maar naderhand proberen ze zichzelf allemaal onder het collectief uit te trekken. We hebben verloren, maar ik speelde zelf wel goed. Ik heb zes voorzetjes gegeven.”

Janssen liep zelf 45 marathons. Hij raakte geïmponeerd door de prestaties van atlete Claire Spauwen, een provinciegenote, zocht contact en rende negentien jaar geleden in Finland z'n eerste marathon. Zijn tijd was 2.53. Bij de eerste marathon van Rotterdam in 1981 werd hij zeventiende. Drie jaar later liep hij in Berlijn de snelste tijd uit zijn carrière, 2.27,28. “Talent vind ik een te groot woord. Maar ik had wel aanleg, ja.”

Hij noemt een marathon een groot feest. “Maar ook een feest kan weleens tegenvallen.” Het is de combinatie: de lange voorbereiding, de wedstrijd zelf en het genieten na afloop. “Je moet heel veel doorstaan. Bio-chemisch gezien is een marathon hetzelfde als een bevalling. Daarbij weet achteraf ook niemand meer wat pijn is. Als alles goed is gegaan, is de herinnering zeer gering.”

Janssen kan met de beste wil de marathon niet gezond noemen. “Zelfs voor een getrainde loper is een marathon ongezond. Maar dat is relatief. Het is minder ongezond dan bijvoorbeeld ongetraind een Coopertest te lopen of te vaak in een kroeg zitten zuipen. Het is altijd een kwestie van plussen en minnen.” Het lopen van een halve marathon is wel gezond, stelt Janssen.

Voormalig topatleet Gerard Nijboer zei eens dat elke marathon een litteken veroorzaakt. Daar kan Janssen zich wel in vinden. Daarom zijn er zo weinig atleten die in de marathon langdurig aan de top verkeren. “De mensen die twee keer een Olympische Spelen hebben gelopen, zijn ook op één hand te tellen.” Het verschilt per individu, maar volgens Janssen is zes jaar het maximum om op een hoog niveau marathons te lopen.

Volgens deze theorie is het dan ook onzin de Ethiopiër Belayneh Densimo, die in 1988 in Rotterdam het fantastische wereldrecord van 2.06,50 liep, als favoriet voor de Olympische Spelen van Atlanta te bestempelen. “Die zien we nooit meer. Maar hij verkoopt het slim.”

Janssen promoveerde aan de universiteit van Maastricht als afgestudeerd chemicus op een 'marathonproject'. Hij onderzocht de gevolgen voor het lichaam van ongetrainde mensen, die na anderhalf jaar oefenen een marathon liepen. Janssen verzorgde zelf de training van de 114 proefkonijnen. Momenteel is hij weer bezig met een studie medicijnen. Het betekent dat hij straks ook zonder supervisie bloed mag prikken bij de sporters. “En dat is heel makkelijk.”

Hij loopt co-schappen in een ziekenhuis in Amersfoort. Daarom verblijft hij drie maanden lang in Soest bij Ignace van Meerwijk, arts van de wielerploeg van Jan Raas. De twee waren vroeger buren in Voerendaal. “Hij is een mooi mannetje”, zegt Van Meerwijk over zijn gast. “Ik ben een fanatieke realist”, typeert Janssen zichzelf. “Ik hou van sport. En dat is soms een nadeel.”

Daarom werkt hij voor een bescheiden vergoeding als bondscoach bij de KNAU. “Ergens anders zou ik voor dat geld niet gaan werken. Hij vond echter dat hij wel op het aanbod van de atletiekunie moest ingaan omdat hij één van de mensen is geweest die veel kritiek hebben geuit. “En ik denk dat het beter kan.” De atleten moeten veel blijer zijn met elkaars prestaties, vindt hij. Er moet meer geestdrift komen. “Het zou zo moeten zijn zoals bij al die quizzen op tv. De mensen klappen daar als een ander een prijs heeft gewonnen. Het liefst zouden ze hem zelf hebben willen winnen, maar toch.”

Janssen is niet pessimistisch over de toekomst van de wegatletiek. Hij behoort ook niet tot de mensen die klagen over een gebrek aan interesse van de bond en over het tekort aan financiële middelen. “Laten we nou eerst maar eens sport bedrijven. Ik vergelijk het met studenten. Die moeten ook investeren. Zonder dat ze zekerheid hebben op een baan. En waarom zou je atleten anders behandelen dan studenten?”

De bondscoach zegt niet te weten hoe er in de sportwereld over hem wordt gedacht. “Ik hoor alleen weleens opmerkingen als: wat is hij dynamisch!” Hij is net tweeëneenhalve maand in dienst bij de KNAU en is nog niet klaar met zijn kennismakingsronde. Zo heeft hij met de beste Nederlandse marathonloper Bert van Vlaanderen na de wedstrijd in Rotterdam een afspraak. Janssen noemt zich “de toegevoegde waarde” voor atleten en hun trainers. Hij staat altijd klaar om advies te geven, heeft hij iedereen laten weten. “Het zou slim zijn als de atleten contact met me zoeken. Ik vind het eigenlijk niet interessant te weten hoe iemand traint. Ik wil alleen maar horen hoe de verhouding ligt tussen belasting en belastbaarheid.”

Janssen is met tussenpozen al geruime tijd trainingsadviseur van de wielrenners van Jan Raas. Hij heeft steeds geroepen dat er in het wielrennen slecht wordt getraind. Maar ook in de atletiek is de kennis van trainers hem tegengevallen. Hij wil er ook weer niet te dramatisch over doen. “De beste trainer is altijd de atleet zelf”, luidt zijn gevleugelde uitspraak. “Dus zelfs als de trainer niet goed is maar wel een hechte band heeft met zijn atleet, dan is er nog niets verloren. Dan zou ik de laatste zijn om voor te stellen een andere trainer te zoeken.” Alleen moet zo'n man dan weleens bij hem aan de bel trekken. Want Janssen denkt voor “de verfijning” te kunnen zorgen.

Hij zegt dat zijn kennis en ervaring garant staan voor verbetering. “Blijft die uit, dan ben ik arrogant genoeg om te stellen dat het bij de ander niet goed is overgekomen.” Hij is tevreden over zijn werk bij Jan Raas. Toch rijden diens wielrenners weinig in de prijzen. “Bij het wielrennen kunnen zich 101 situaties voordoen waardoor een optimale prestatie niet tot resultaat leidt. Dan word je misschien toch maar dertigste en valt het tegen. Bij de marathon ligt dat eenvoudiger. Daar loop je gewoon een tijd.”

Aan het einde van de avond wordt bekend dat Ajax de Europa-Cupfinale heeft bereikt. Janssen glimlacht minzaam. “Natuurlijk is dat mooi, schitterend. Qua schouwspel zit er in voetbal veel meer dan in de marathon. Die is voor niet-experts emotioneel arm. Maar ik vind een tijd lopen van 2.10 op de marathon een betere prestatie dan het bereiken van een finaleplaats door Ajax. Dat is namelijk een relatief geringe fysieke inspanning.” Sommige dingen zegt hij niet te begrijpen in de sport, zoals golfers, door Janssen aangeduid als “wandelaars met stokjes”, die tonnen en auto's bij elkaar slaan.

Hij heeft geen behoefte in het voetbal werkzaam te zijn. Maar hij ziet en hoort weleens iets vreemds waar hij om moet lachen. Bijvoorbeeld het trainen na een zwaar duel zoals Ajax woensdagavond speelde. “De banden en pezen van de spelers hebben het dan zwaar te verduren gehad. Dus moet je ze niet meteen weer gaan belasten.” Een duurloop heeft dan volgens Janssen ook geen zin. “Dat wordt in het voetbal namelijk een tempoloop. Ze willen elkaar altijd afzeiken. Harder lopen dan de ander. Dus lopen ze elkaar naar de kloten.”

Gratis en voor niets adviseert Eugène Janssen de voetballers een dag na de wedstrijd te kiezen voor een training in het water. “Gooi ze in een waterbak en laat ze oefeningen doen. Dat is goed voor de saamhorigheid en voor het herstel van de banden en pezen.”