Wreed

De mooiste ode aan Ajax waren de handen in de broekzakken van Giovanni Trapattoni. De anders zo furieuze coach stond driekwart van de wedstrijd roerloos in het trainershuisje. Hij die op twee vingers kan fluiten als geen ander deed geen moeite meer. Een stervende sintel in het oude stadion: Ajax kan wreed zijn.

Zo ook Louis van Gaal. Een uur na de verpletterende overwinning op Bayern München glunderde Kees Jansma bij de retorische vraag: “Je ziet er moe uit Louis, alsof je helemaal leeg bent.” Dat was voor de 43-jarige Avenhorner alweer iets te veel sentiment. “Ik ben nooit leeg, dat gevoel ken ik niet”, snauwde hij terug. Deze coach bevindt zich in een baan om de aarde, als een satelliet van succes en treurnis. Het Ajax-gevoel is scatologie voor het plebs, voor de hansworsten op de eretribune en voor cafébazen. Daar kan een koning niet deelachtig aan zijn. De opwinding van Van Gaal is organisch verbonden met de uitvoering van het spel, de tactische perfectie en het technische raffinement. En: Louis mag dat paradijs graag zelf verzinnen. Die elf snuiters moeten wel dansen op het ritme van zijn wenken en bevelen.

Ik lees de laatste dagen nog alleen dat de trainer van Ajax arrogant, meedogenloos, nurks en ontoegankelijk is. Een Bolkestein zonder glimlach. Mediatrainers snellen toe om de Ajax-hark van advies te dienen. De voormalige parlementair journalist Ton Planken voorspelt dat het onvermogen om liefde op te wekken de trainer duur te staan kan komen. Aloysius Paulus Maria van Gaal, zo zegt hij, moet zich presenteren met meer bonhomie, meer elegantie. Het pr-orakel waarschuwt: “Al heb je in Amsterdam een troon veroverd, die kun je niet zonder meer verplaatsen naar Milaan of Barcelona. Mediterrane journalisten hebben een veel dunnere huid dan Hollandse. Met alleen vakmanschap red je het in de serie A niet. Dat moet misschien zijn motto worden.” Kortom, Louis van Gaal moet op cursus bij Elsemieke Havenga.

De Napoleontische façade van de succescoach kan misschien een onsje minder. Maar liever een Schwarzkopf uit Avenhorn dan geföhnde socialisten met een Zandvoortkwek. En nu Erica Terpstra zich zo massief heeft gebeiteld in het fresco van deze sportnatie is het een zegen dat er nog een enkele trainer, een voetballer of een wielrenner rondloopt die niet weet wat kraaien is. De generaalslook van Michels was een gepolijste leugen, het machismo van Happel berustte op heimwee, in de ongenaakbaarheid van Van Gaal zie je tenminste nog een bodempje van onhandigheid liggen, eigen aan alle onvervalste aardappeleters.

Van Gaal past perfect bij de club uit de Watergraafsmeer omdat Ajax, tegen alle schijn in, geen vriendelijk instituut is. De hardvochtigheid waarmee jongetjes van twaalf, dertien jaar tijdens de jeugddagen naar huis worden gestuurd is een stalinistische schimmel die niet onderdoet voor het vroegere Oostblok. Voor talloze pre-puberale dromers is de toekomst al voltooid nog voor ze is begonnen. Hoe jong ze ook zijn, Ajax kent geen genade voor kandidaat-pupillen die op de dag van de kennismaking geen flits van Litmanen of Kanu kunnen laten zien. De selectie is te pril, te radicaal. En daarmee bewijst de club met het legendarische verleden dat ze geen sociaal temperament heeft. Ajax is een talentsnob.

Van Gaal is dat niet. Hij legt de lat heel hoog maar doet er zelf alles aan opdat de selectie, zonder aanzien des persoons, hem in die hoge vlucht kan volgen. Niet Blind of Rijkaard, niet Reiziger of Bogarde zijn de dwangarbeiders van het succes, dat is Van Gaal. De gedrevenheid, tegen de grens van het offer aan, waarmee hij de wetenschap balcirculatie doceert, herhaalt, verfijnt is bij geen enkele professor doctor aan de universiteit terug te vinden. En deze heren kunnen ook behoorlijk nors en nukkig voor de dag komen.

Van Gaal moet maar gewoon die kille communicatie-analfabeet blijven die hij ogenschijnlijk altijd is geweest. Met gladde praatjes zou het Ajax-kapitalisme helemaal ondraaglijk worden. En voor de ontroering zorgen de jongetjes wel, op en buiten het veld. Het introverte geluk van Rijkaard, de lach van Kluivert, de goudwinkel om de hals van Bogarde en het witte verdriet in het gezicht van Van Vossen dwarrelen als veren neer. Daar moeten ook varens tegenover staan.