Winnetou

Twintig minuten eerder was ik duf en rillerig uit bed gestapt, nu voelde ik m'n bloed stromen, mijn bovenbenen werden rood. Vanaf een hellinkje staarden witte koeien me verbaasd aan. Niet vaak zagen ze een man in korte broek door dit dal hollen en in de comateuze vroegte die een christelijke feestdag kenmerkt was het al helemaal een atypisch beeld. Ik sloeg linksaf. Een weg die me tussen het slachthuis en het er pal tegenoverliggende bordeel zou voeren. Geen teken van leven bij het slachthuis. Maar voor het eenzame huis met gesloten luiken stonden drie auto's. In het binnenste van het pand bonkte discomuziek, daarbovenuit hoorde ik mensen lachen. De wederopstanding des vlezes op paasochtend om kwart voor acht.

Even later rende ik door een bos. Ik zette nog even extra aan voor het bereiken van de top van een heuveltje. De zon flakkerde tussen de uitbottende takken toen ik de helling afstormde. God, wat is dit heerlijk, dacht ik nog.

Maar al snel bleek dat ik mijn vaart niet kon houden. De diepzwarte grond was veel te glibberig. Als ik de bocht maar kan maken, dan blijf ik overeind, schoot het door me heen. Maaiend met mijn armen en hardop vloekend daverde ik op een grote boomstronk af die mijn weg versperde. Ik sprong en gilde. Na een half gelukte koprol zat ik modderig maar ongedeerd in het bos.

Iemand lachte, een paar seconden lang. Ik stond gauw op. Beneden aan het pad, op het bruggetje over de beek stond een indiaan met een zwarte herdershond. Hij stak zijn hand op.

'Neem me niet kwalijk!', riep hij. Ik liep naar beneden. Hij bleef staan. De hond ging aan zijn voeten zitten. Hij droeg een beige leren broek, een idem jack met franje. Een rode band om het hoofd, zwart haar tot op de schouders. Een ketting met stukken bot, tanden, schelpen en doorboorde munten.

'Het is goed. Ik was iets te enthousiast naar beneden gegaan.'

We keken elkaar aan. Hij zag mijn verhitte en bezwete gezicht, ik zijn vermoeide zwarte ogen, zijn spitse kin en de vroegoude lijnen in zijn gezicht.

'Ken je me niet meer?' Ik schudde van nee.

'Winnetou.'

'Ach, kom op, dé Winnetou?'

'Nee, die staat alleen in een boek. Ik ben jouw Winnetou, jouw eigen Winnetou.'

Ik wist niet wat ik zeggen moest. We liepen langs de beek. De hond draafde voor ons uit. Af en toe keek ik nerveus naar mijn Winnetou, die met half toegeknepen ogen voor zich uit spiedde.

Ik keek naar de grond: zijn befaamde mocassins naast mijn smerige oude Nikes. Hij floot zijn hond. De ernst in zijn gezicht, maakte dat ik opeens met hem te doen had. Het ging niet goed met deze boezemvriend die ik bijna dertig jaar aan zijn lot had overgelaten.

'Zullen we stokken gaan zoeken?,' vroeg ik. Hij grijnsde dankbaar, zijn gebit was er slecht aan toe. We verlieten het pad, sprongen over de beek en brachten de hele dag in het bos door. We bouwden eerst een val tegen rovers van een stuk kippegaas en losliggende takken. Bovenop de hoogste heuvel in het bos liet Winnetou me zijn schat zien. Onder de bladeren was een diepe kuil met een plank erover. Daaronder lag een deken waarin hij twee magische kommetjes bewaarde, een echte kogel, een stuk vuursteen en een in vilt verpakte dolk.

'Mag ik van thuis niet hebben,' zei hij zacht. Het was een even plechtig moment als vroeger toen ik hem vroeg of ik even met zijn mes mocht. Hij knikte ernstig en reikte het me aan. Ik sneed in mijn linker ringvinger en kneep wat bloed in het kommetje met de kogel. Hij hield zijn hand al open, ik legde het mes erin. Hij deed zijn bloed in het kommetje met de vuursteen. We mengden en dronken. Om ons heen speelde het bos mee. Maar ik zag dat Winnetou's handen trilden bij het opbergen van de schat. Toen de bergplaats was gecamoufleerd stond hij niet op en bleef in het gras zitten.

'Ga nou maar. Ik blijf hier,' zei hij en nog één keer keek ik in zijn doodmoeie, verraden gezicht. We beloofden elkaar een brief te sturen, geschreven met onzichtbare inkt.